Reactie op berichtgeving NOS 24 april 2014: “Windenergie is duurder dan nodig”

Zo berichtte de NOS afgelopen week. Pachtprijzen voor grond zouden onevenredig hoog zijn. Met enige regelmaat komt een dergelijk bericht naar voren. Pondera Consult deed er in 2013 ook onderzoek naar in opdracht van het ministerie van Economische Zaken. Relevant is het zeker, want pachtprijzen of grondvergoedingen maken bij windprojecten zo’n 10% uit van de jaarlijkse kosten. Zowel particuliere grondbezitters als ook de overheid als grondbezitter incasseren deze vergoedingen voor de “huur” van de grond.

Het Rijksvastgoed en Ontwikkelbedrijf (RVOB) is als beheerder van rijksgronden duidelijk over de tariefstelling: zij willen een marktconform tarief rekenen. In ons onderzoek hebben we gekeken of de tarieven van het RVOB overeenkomen met die van particuliere grondbezitters. Uit dat onderzoek blijkt dat de tarieven elkaar weinig ontlopen. Een belangrijk aspect dat daarbij een rol speelt, is dat het RVOB de tarieven niet jaarlijks indexeert, terwijl dat in de particuliere sector gebruikelijk is. De overheid rekent dus niet meer dan particulieren, eerder juist minder.

Wel blijkt uit ons onderzoek dat particulieren de RVOB-vergoeding als uitgangspunt nemen voor het vaststellen van hun vergoeding. Daarbij baseren zij zich niet zozeer op de werkelijke vergoeding van het RVOB, maar op de vergoeding die zij denken dat het RVOB rekent, en deze veronderstelde vergoeding ligt hoger dan de werkelijke RVOB-vergoeding, In die zin zou je dus kunnen zeggen dat het RVOB wel degelijk invloed heeft op marktprijzen.

De vraag of er te veel aan grondvergoedingen uitgekeerd wordt is een lastige, zeker in een vrije markteconomie. De vervolgvraag is hoe de markteconomie werkt in een gesubsidieerd project; windprojecten kunnen immers nog niet zonder subsidie. Zeker wanneer subsidies ruimhartig voorhanden zijn, is voorstelbaar dat meer ruimte is voor het vragen/verlangen van hogere grondvergoedingen. In ons onderzoek bleek dat verband niet uit te sluiten. Van belang daarbij is ook dat het aantal geschikte locaties voor windprojecten schaars is. Het moge duidelijk zijn dat een vergoeding voor het grondgebruik op zijn plaats is. Maar of dit heel veel moet zijn? Een windturbine heeft veelal een minimale invloed op de gebruiksmogelijkheden van het terrein waarop deze geplaatst wordt.

Zeker zo lang windprojecten nog gesubsidieerd worden, is het van belang de grondvergoedingen zo laag mogelijk te houden. De overheid speelt daar dus een belangrijke rol bij. Het besluit om de RVOB-tarieven als leidraad te hanteren bij het vaststellen van de onrendabele topberekeningen voor de SDE-subsidie en er zelfs een afslag op de doen van 10%, zoals Kamp tijdens het Algemeen Overleg van afgelopen donderdag 24 april 2014 betoogde, is dan ook een verstandige eerste stap, al blijft het natuurlijk de vraag of deze 10% inderdaad van de grondvergoedingen af zal gaan of dat het ten koste gaat van het rendement van een windproject. In het laatste geval zal het een remmende werking hebben op het ontwikkelen van windprojecten op minder rendabele locaties, zoals in minder windrijke gebieden.

Download hier het onderzoeksrapport.

FacebookTwitterLinkedInEmail
Dit bericht is geplaatst in blog, In de pers. Bookmark de permalink. Reacties en trackbacks zijn beide momenteel gesloten.
  • Het imago van windenergie

    Gloort er licht aan de horizon
    voor kleine windturbines?

    Innovatie in de wind

    10 jaar Pondera

    p3
    p4
  • Abonneren op ons blog