Publicatie regioadvies Net op Zee: HKwB

Op verzoek van de minister van EZK hebben de regionale overheden (de gemeenten Beverwijk, Heemskerk en Velsen, Hoogheemraadschap Hollands Noorderkwartier en de provincie Noord-Holland) advies uitgebracht over het te kiezen voorkeurstracé voor het Net op Zee Hollandse Kust (west Beta).

Het regioadvies is één van de zaken waarop de minister van Economische Zaken zich zal beroepen bij het maken van een keuze voor een voorkeursalternatief (VKA). Bij die keuze zijn daarnaast ook het advies van de commissie voor de milieueffectrapportage en de integrale effectenanalyse van TenneT van belang bij het kiezen van het beste alternatief. De minister zal deze keuze naar verwachting eind mei maken. Wanneer het VKA eenmaal bekend is zal meer onderzoek naar het gekozen tracé plaatsvinden.

Net op zee: Hollandse Kust (west Beta) is een wisselstroomaansluiting die 700 MW uit het middendeel van windenergiegebied Hollandse Kust (west) verbindt via een transformatorstation aan de Zeestraat in Beverwijk met het landelijke hoogspanningsnet bij het bestaande 380kV-station Beverwijk. De verbinding bestaat uit een platform op zee, ondergrondse kabels op zee en op land en een transformatorstation op land. Het windenergiegebied Hollandse Kust (west Beta) is onderdeel van de Routekaart Windenergie 2030.

Pondera heeft samen met Arcadis onderzoek gedaan naar de mogelijke effecten van de verschillende tracéopties op land en op zee. De resultaten hiervan zijn te vinden in de Integrale Effectenanalyse en het Milieueffectrapport.

Geothermie, de toekomst voor duurzame warmte (BLOG)

Geothermie wordt door velen als dé ‘nieuwe’ bron voor duurzame energie beschouwd. Sinds de eerste putten in 2007 is de techniek als bron voor duurzame energie meer volwassen geworden. Ook wordt deze bron vanwege de beperkte omgevingseffecten als zeer goed inpasbaar gezien. Er wordt dan ook een grote rol voor deze bron weggelegd in de energietransitie, waardoor binnen korte tijd meerdere ontwikkelingen tegelijkertijd zullen lopen.

Enige tijd geleden is er een eerste blog over geothermie geschreven waarin de techniek van de energiebron is geïntroduceerd. Deze blog is het tweede deel van een serie waarin relevante onderwerpen van geothermie worden behandeld. Hierin ga ik vervolgens dieper in op de warmtevraag en de bediening daarvan met behulp van geothermie.

De totale warmtevraag

Voor het goed in beeld krijgen van de warmtevraag, is het van belang om relevante trends te achterhalen en toekomstige trendbreuken te voorspellen. Om niet een statistisch wetenschappelijke exercitie uit te hoeven voeren, maar wel een onderbouwde inkijk te geven in de warmtevraag, kijken we voor het gemak even terug tot 2012.

In 2012 was sprake van een totale warmtevraag van circa 1200 PJ. Deze hoeveelheid betrof 55% van de totale energiebehoefte van Nederland. Dit betreft al het energieverbruik van Nederland, dus niet alleen de huishoudens. Wanneer de warmtevraag per sector wordt onderverdeeld, leverde het volgende beeld op voor 2012[1]:

  • Industrie: 44 %,
  • Huishoudens: 29 %,
  • Utiliteitssector: 20 % en
  • Landbouw: 7%.

In 2015 is deze warmtevraag maar weinig gewijzigd. Ook toen was sprake van 53% van het totaal aan verbruikte energie dat opgaat aan het produceren van warmte[2]. In 2017 was dit 54%. De algemene trend is echter dat sinds het jaar 2000 de totale warmtevraag met 0,8% per jaar daalt. Duidelijk is dat onze vraag naar warmte het grootste deel van onze energiebehoefte in beslag neemt.

Wanneer alleen naar huishoudens wordt gekeken, blijkt ook dat er sprake is van een neergaande trend. Zie hiervoor ook onderstaande grafiek van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Ook hier is en blijft warmte, geproduceerd door aardgas, het grootste aandeel innemen van de totale energiebehoefte.

Hoe kan in deze behoefte worden voorzien?

Zoals uit voorgaande grafiek blijkt, wordt in het voornaamste deel van de warmtevraag voorzien met behulp van aardgas. Dit is in Warmtevisie van 2015 nogmaals bevestigd. In deze visie is gas als nagenoeg enige energiebron voor de warmtevraag voorzien. Slechts enkele procenten van alle warmte in dat jaar werd duurzaam geproduceerd. Slechts circa 5% van de totale warmtevraag werd gedekt door restwarmtebenutting. Het is de verwachting dat dit aandeel in de komende jaren fors zal toenemen.

Onder restwarmte valt de restwarmte van industrie en waterzuiveringen, maar ook geothermische bronnen. Deze restwarmte wordt via een warmtenet van producent naar gebruiker gebracht. Dit grootschalige geïsoleerde leidingenstelsel en distributienet levert het hete water van de “bron” en retourneert het afgekoelde water nadat de gebruiker de warmte uit dit water heeft gehaald. Het moge duidelijk zijn dat de warmte uit (conventionele) geothermie ook op deze wijze wordt benut.

Deze vorm van warmtelevering vereist een andere kijk op de markt, omdat de warmte direct beschikbaar is, en niet is ‘opgeslagen’ in gas, elektriciteit of kolen. Het gevolg hiervan is dat de meeste warmtenetten tot nu toe een gesloten systeem betreffen en een lokale markt bedienen. Er is sprake van één warmteproducent en één warmtenet. Indien de warmte-afnemer afhankelijk is van de warmtelevering van het warmtenet, heeft deze veelal geen keuze in warmte-leverancier, wat marktwerking aan de leveringskant (de energieproducent) onmogelijk maakt.

De overheid doet er daarom goed aan bij (de vergunningverlening voor) de aanleg van nieuwe warmtenetten te overwegen er “open” of “communale netten”[3] van te maken. De afnemer kan dan kiezen uit verschillende leveranciers en meerdere producenten – met verschillende vormen van warmteproductie – kunnen warmte op het net brengen. Hiermee is sprake van gezonde concurrentie op het net wat positief werkt op de prijs voor de uiteindelijke klant.

Geothermie en warmtenetten

Geothermie levert warmte die geschikt is voor industrie (proceswarmte), huishoudens en kantoren (ruimteverwarming) en de landbouw (glastuinbouw). Geothermie heeft een belangrijk voordeel: de bron is continu beschikbaar, ongeacht omstandigheden. Dit is echter ook meteen een nadeel: er is ook een continue warmtebron beschikbaar in de zomer. De geothermische bron kan niet uitgeschakeld worden, omdat dit een ‘collapse’ tot gevolg kan hebben. Voor optimale benutting van de bron is grootschalige afname in de zomer (tuinbouw, industrie) of buffering in de ondergrond noodzakelijk.

Het gebruik van een warmtenet en de benutting van het geothermisch potentieel is, door de beperkte transporteerbaarheid van warmte, afhankelijk van de match tussen bovengrondse vraag en het aanbod in de ondergrond. De vraag doet zich vooral voor in concentratiegebieden van de glastuinbouw, warmte vragende industrieën en het stedelijk gebied vanwege de aanwezigheid van bedrijven en woningen. Voor laatstgenoemde geldt dat met name de locaties waar al stadsverwarming aanwezig is aantrekkelijk zijn voor eventuele geothermische bronnen, omdat hier al aan een belangrijke voorwaarde – de afname van de warmte – wordt voldaan. 

Toepassing in de woningbouw

Binnen de woningbouw is een scala aan mogelijkheden voor warmteleverantie mogelijk. De toepassing van geothermie wordt hierbij als zeer logisch, maar ook als nog verder te ontwikkelen beschouwd.

Figuur 1 laat zien dat de meest kansrijke opties voor duurzame verwarming van woningen gebaseerd zijn op aansluiting op een warmtenet (hoge temperatuurverwarming, HTV) of volledige elektrificatie van de warmtevoorziening. Dit plaatje is ook van toepassing op de utiliteitsbouw, waarbij geldt dat de warmtepomp met bodembron wat gunstiger is voor utiliteitsbouw dan voor woningen. Over het algemeen heeft een (collectieve) hoge temperatuur oplossing, met aansluiting op een warmtenet, de laagste investeringskosten en de laagste maatschappelijke kosten.[4]

Figuur 1: Marktrijpheid en bruikbaarheid van de diverse vormen van energie / technieken[5]

Het effect op woningen

De overgang van warmte uit aardgas naar warmte uit een warmtenet vraagt een verandering aan de woning. Zoals uit voorgaande paragraaf blijkt, bestaan er (gesimplificeerd) twee mogelijkheden om de woning te verwarmen (anders dan met aardgas); door middel van hoge-/of midden-temperatuurverming (HTV/MTV) of met lage-temperatuurverwarming (LTV). Figuur 2 laat zien wat het verschil is qua maatschappelijke impact tussen deze toepassingen. In beide toepassingen is ook rekening gehouden met o.a. geothermie (warmtenet). Voor woningen uit de periode voor 1945 wordt LTV (met een all-electric oplossing) “duur en technisch ingewikkeld” beschouwd, voor woningen uit de periode 1945 – 1992 is “inpassing mogelijk, maar duur”[6]. Dit maakt dat voor diverse stadsdelen toepassing van HTV/MTV de beste optie is simpelweg omdat vergaande aanpassing van bestaande panden financieel en maatschappelijk niet mogelijk of wenselijk is.

Figuur 2: Vereiste aanpassingen aan woningen bij toepassing van HTO/MTO versus LTO[7]

Omgang met pieken in de warmte vraag

Een geothermische bron levert een constante hoeveelheid aan warmte. Dit heeft niet alleen een relatie met seizoen-variaties zoals eerder aangegeven, maar ook met de dagelijkse pieken in de warmtevraag in de winter. Om de geothermische bron zo in te richten, dat het deze pieken kan opvangen, is niet realistisch vanuit kostenoogpunt. Wanneer geothermie volledig wordt benut door de warmtebehoefte van woningen, zal deze bron veelal in combinatie met andere warmtebronnen worden gerealiseerd. Dit kan door meerdere bronnen op het eerder benoemde communale net te laten aansluiten, aanvullende bronnen per woning te realiseren óf een aanvullende en constante afname van de warmte toevoegen, en daar de warmtebron en het net op aan te laten sluiten.

Productie van elektriciteit

Ultra Diepe geothermie (UDG, dieper dan 3500 meter) kan industriële processen voorzien van warmte met een hogere temperatuur. Verschillende sectoren zoals de papierindustrie, de voedings- en genotsmiddelenindustrie, de chemie en de glastuinbouw tonen al interesse voor de toepassing van diepe geothermie.

Voor elektriciteitsproductie is het noodzakelijk om op grotere dieptes dan 4 kilometer te opereren. De kennis van de bodem op deze dieptes is schaars en beperkt zich tot enkele specifieke locaties. De verwachting is dat in heel Nederland een mogelijkheid voor UDG is, mits voldoende diep wordt geboord. In de laatste blog komen we hier – onder meer – op terug.

Deze blogpost is geschreven door Rene Vreugdenhil.

[1] Bron: Kamerbrief Warmtevisie, Ministerie van Economische Zaken, kenmerk: DGETM-ED / 15042827, d.d. 2015

[2] Bron: Warmtemonitor 2015, Centraal bureau voor de statistiek

[3] Bij een communaal net beheert een onafhankelijke netbeheerder of exploitant de infrastructuur zoals dat ook op de gas- en elektriciteitsmarkt gebeurt.

[4] “Aansluiten op warmtenetten, handreiking”, AEDES / CE Delft, 19 december 2017; Hoogervorst, 2017

[5] “Rapport “Warm aanbevolen, CO2 arme warmte in de gebouwde omgeving”, Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur, ISBN 978­90­77166­76­5, december 2018 en De Bruin et al., 2018a

[6] “Rapport “Warm aanbevolen, CO2 arme warmte in de gebouwde omgeving”, Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur, ISBN 978­90­77166­76­5, december 2018

[7] “Rapport “Warm aanbevolen, CO2 arme warmte in de gebouwde omgeving”, Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur, ISBN 978­90­77166­76­5, december 2018

 

Molenaarswoningen: oplossing of probleem?

Actualisering aan de hand van recente uitspraak windpark Koningspleij, door Paul Janssen, adviseur duurzame energie bij Pondera

Aanleiding

In Nederland moeten windturbines voldoen aan strenge geluidnormen, vastgelegd in het Activiteitenbesluit. Deze normen zijn gebaseerd op de hinderbeleving van windturbinegeluid. De norm stelt dat op de gevel van geluidgevoelige objecten (o.a. woningen) een maximaal jaargemiddeld geluidniveau van Lden 47 dB mag optreden. In het afgelopen decennium zien we echter steeds vaker dat direct omwonenden ook initiatiefnemer en mede-eigenaar zijn van een windpark. En omdat de woningen van deze personen meestal relatief dichtbij de windturbines staan, kan niet altijd worden voldaan aan de wettelijke normen. Dat leidt tot een dilemma: de bewoners willen graag dat het windpark er komt en nemen een klein beetje extra geluidhinder voor lief. Tegelijkertijd is dit wettelijk niet zomaar toegestaan: een woning is een geluidsgevoelig object en dus moet voldaan worden aan de norm.

Om dit op te lossen wordt onderscheidt gemaakt naar de status van deze specifieke woningen als een zogenaamde ‘molenaarswoning’ of ‘woning in de sfeer van de inrichting’. Daarmee gelden de wettelijke normen niet meer. Het is een praktijk die gegroeid is vanuit de situatie dat windmolens achter op een boerenerf werden geplaatst. Net zoals er voor de agrariër geen specifieke beschermingsnormen gelden voor geluid of geur van zijn eigen agrarische activiteiten, geldt dat ook voor de effecten van een windturbine voor nabijgelegen woningen van ‘molenaars’. Om dit juridisch te kunnen doen, moet echter wel sprake zijn van een zogenaamde binding met het windpark. Deze binding kan organisatorisch zijn (er is een mede-eigenaarschap of bijvoorbeeld grondeigendom relatie), functioneel (de bewoner van de woning oefent taken uit om het windpark te kunnen laten functioneren) of technisch (de woning is integraal nodig om het windpark te laten functioneren, bijvoorbeeld doordat er een gedeelde oprit of energiemeter is). De laatste is vaak niet aan de orde omdat de windturbine technisch gezien op zichzelf staat en functioneert. Indien twee van de drie bindingen aan de orde zijn, lijkt dit meestal voldoende, zo blijkt uit diverse uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling): ECLI:NL:RVS:2009:BJ7747, ECLI:NL:RVS:2017:3405, ECLI:NL:RVS:2018:141 en ECLI:NL:RVS:2018:616.

Bron: website Koningspleij

Juridische risico’s

Deze constructie is de afgelopen jaren steeds vaker door initiatiefnemers van windenergieprojecten gehanteerd. Niet alleen woningen van mensen die zelf mede-initiatiefnemer en grondeigenaar zijn bij een windpark werden als woning in de sfeer van de inrichting aangemerkt, maar er werden ook afspraken gemaakt met omwonenden die wel financieel delen in het rendement. De eigenaren van deze woningen vervullen een beheerdersfunctie bij het windpark zoals het uitvoeren van toezicht en onderhoud, waarvoor zij een vergoeding ontvangen. Daarbij moet ten alle tijden wel sprake blijven van een ‘goed woon- en leefklimaat’ ter plaatse van deze woningen. In diverse windparken blijkt echter dat ook bij een geluidbelasting van enkele decibellen boven de wettelijke norm voldaan kan worden aan een goed woon- en leefklimaat. Dit is ook in lijn met de diverse onderzoeken naar geluidhinder waar mensen die meeprofiteren van het windpark daadwerkelijk ook minder hinder ervaren.

In verschillende rechtszaken is deze constructie juridisch aangevochten door andere omwonenden. Deze bewoners stellen dat als gevolg van deze ‘woning in de sfeer van de inrichting’ zij ook meer geluidhinder ervaren, ook al blijft die binnen de geluidnorm, omdat de windturbines nu op plekken kunnen komen te staan waar dit anders niet, of alleen na het nemen van geluidmaatregelen, mogelijk zou zijn. Bovendien stellen zij dat er geen noodzaak bestaat voor deze aanwijzing, omdat de beheerdersfunctie op afstand door specialisten wordt uitgevoerd. Met andere woorden: het windpark kan ook functioneren zonder deze toezichthouders.
Uitspraak Delfzijl Zuid Uitbreiding en Koningspleij
Ook de Afdeling heeft hier al een aantal malen kritisch over geoordeeld, bijvoorbeeld in de uitspraak over windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding: ECLI:NL:RVS:2018:4180. Kort gezegd stelde de Afdeling dat het aantal woningen in de sfeer van de inrichting dat was aangewezen niet in verhouding stond tot het aantal windturbines. Bovendien was niet aangetoond dat de aangevoerde bindingen reëel en van voldoende betekenis waren. Op 1 april 2020 is hier een uitspraak voor windpark Koningspleij in Arnhem (ECLI:NL:RVS:2020:889) bij gekomen. Waar in de eerdere uitspraak voor windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding vooral het aantal woningen in de sfeer van de inrichting- tot vraagtekens leidde, is de uitspraak voor Koningspleij een stuk diepgaander.

  • In de uitspraak Koningspleij stond ter discussie of een tweetal woningen in de sfeer van de inrichting terecht als zodanig bij het windpark zijn aangemerkt. De Afdeling oordeelt hier dat, ondanks een uitgebreide beheerdersovereenkomst tussen de initiatiefnemer en de woningeigenaren, niet voldoende deugdelijk is gemotiveerd dat sprake is van een reële binding van voldoende betekenis. Belangrijke argumenten hiervoor zijn dat:
  • De afstand tussen de windturbines en de woningen (200 meter tot 1 km) te groot is om visueel dan wel auditief toezicht te kunnen houden. Bovendien ontbreekt zicht op de (onderste) delen van de windturbines;
  • Er geen rechtstreekse wegverbinding is tussen de woningen en de windturbines, waardoor het niet mogelijk is per motorvoertuig snel ter plaatse te zijn in geval van een calamiteit. De responstijd voor hulpdiensten is vergelijkbaar met de tijd die de toezichthouder nodig heeft om ter plaatse te komen, waarmee er geen meerwaarde meer is;
  • De woningen en toezichtfunctie niet noodzakelijk zijn voor het functioneren van het windpark, omdat continue toezicht op afstand plaatsvindt, vanuit een centrale locatie;
  • Het besluit tot het aanwijzen van de woningen in de sfeer van de inrichting is hiermee vernietigd.

In dit specifieke geval kan het windpark Koningspleij toch gerealiseerd worden omdat een maatwerkvoorschrift voor geluid is vastgesteld door het College van B&W. In dit maatwerkvoorschrift is een hogere geluidnorm ter plaatse van de twee zogenaamde molenaarswoningen vastgelegd. Het Activiteitenbesluit voorziet in deze mogelijkheid, waarbij er wel een strenge motiveringsplicht geldt. In het specifieke geval van windpark Koningspleij is reeds sprake van een relatief hoge geluidbelasting nabij de twee woningen in de sfeer van de inrichting als gevolg van een aanwezige provinciale weg met vier rijstroken en een industrieterrein. De windturbines voegen daaraan relatief zeer beperkt geluidbelasting toe. Zonder dit maatwerkvoorschrift zou echter getoetst moeten worden aan de normen uit het Activiteitenbesluit.

Consequenties van de uitspraak

Uit de uitspraak is duidelijk geworden dat de Afdeling kritisch is ten opzichte van het gebruik van woningen in de sfeer van de inrichting bij windparken. Dit betekent niet dat in alle gevallen deze mogelijkheid uitgesloten moet worden, maar het lijkt er op dat het aantonen van een functionele binding meer vereist dan een overeenkomst tussen initiatiefnemer en woningeigenaar voor het leveren van beheerdersdiensten. Met name het feit of een woningeigenaar ook grondeigenaar en mede-initiatiefnemer van het windpark is, lijkt in dit kader van belang. Immers, indien de grondeigenaar niet meedoet kan het windpark fysiek niet bestaan. Of dit echter voldoende is om de bindingen reëel en van voldoende betekenis te laten zijn, is de vraag.

Er zijn diverse oplossingen te bedenken om windparken te ontwikkelen waar één of enkele woningen in de nabijheid zijn gelegen. Dit vereist echter altijd maatwerk en is locatie specifiek. Een aantal oplossingen wordt hieronder besproken:

  1. Een eerste oplossing is het aankopen en weg bestemmen van een woning waar niet kan worden voldaan aan de geluidnorm. Daarmee vervalt de woonbestemming en is geen sprake meer van een object waar voldaan moet worden aan de norm. Deze oplossing is uiteraard kostbaar, omdat de woning die gekocht wordt tegen woningwaarde vervolgens uit de woningmarkt wordt genomen. Dit leidt daarnaast tot kapitaalvernietiging en aangezien windturbines tijdelijk van aard zijn kan het jammer zijn van de woonlocatie. Het perceel kan uiteraard nog wel voor andere doeleinden worden gebruikt, zolang deze niet geluidgevoelig zijn. Deze oplossing is gekozen in het gerepareerde bestemmingsplan ‘Windpark Delfzijl Zuid Uitbreiding’, dat momenteel in procedure is.
  2. Een andere oplossing kan zijn om aan te tonen dat het aanwijzen van de woning in de sfeer van de inrichting geen consequenties heeft voor andere omwonenden. Een eventuele overschrijding van de grenswaarden ter plaatse van de bedrijfswoningen hebben in dat geval geen gevolgen voor het woon- en leefgenot van overige omwonenden, waarmee de feitelijke grond wegvalt. In dat geval staat het relativiteitsvereiste in de weg en is de derde omwonende geen belanghebbende meer. Dit zal echter in de meeste gevallen lastig zijn, omdat de woningen van derden dan op relatief grote afstand moeten liggen. Dit zou het geval kunnen zijn voor een project waar één woning zich vlakbij het windpark bevindt (binnen de geluidnorm) en anderen op veel grotere afstand.
  3. Een andere mogelijkheid is om, mits uitvoerbaar, aan te tonen dat ook ter plaatse van de woningen in de sfeer van de inrichting, voldaan kan worden aan de normen, waardoor de aanwijzing als woning in de sfeer van de inrichting overbodig is. Dit kan door vergaande mitigerende maatregelen zoals fors terug regelen van de windturbine of door de keuze van een relatief stille windturbine. Uiteraard zijn er grenzen aan deze mogelijkheden, maar enkele decibellen lagere geluidbelasting is haalbaar. Deze maatregelen hebben echter wel gevolgen voor de kWh productie van een project, waardoor een initiatiefnemer goed moet controleren of met deze maatregelen nog wel een financieel gezond project kan worden gerealiseerd.
  4. Er kan om een maatwerkvoorschrift worden gevraagd aan het bevoegd gezag voor de woningen die nu als woning in de sfeer van de inrichting worden aangemerkt. Daarmee kunnen andere geluidnormen worden vastgesteld, waaraan vervolgens getoetst moet worden. Uiteraard met instemming van de eigenaar/bewoner. Deze oplossing is ook voor windpark Koningspleij toegepast. Er zitten echter wel haken en ogen aan deze oplossing. Ten eerste moet het bevoegd gezag bereid zijn deze maatwerkvoorschriften vast te stellen. Dit is een bevoegdheid, maar kan niet door een initiatiefnemer worden afgedwongen. Ten tweede geldt een strenge motiveringsplicht voor het vaststellen van maatwerk. Er moet sprake zijn van bijzondere lokale omstandigheden. Wat dat precies is, is niet vastgelegd in de wet, maar gedacht kan worden aan een al aanwezige fors hogere geluidbelasting door (meerdere) andere geluidbronnen. Bij een industrieterrein, snelweg, scheepvaartroute, spoorlijn of luchthaven biedt dit dus wellicht uitkomst, maar deze omstandigheid is zeker niet zomaar universeel toepasbaar. Ook een (provinciale) structuurvisie waarin bijvoorbeeld gebieden worden aangewezen waar bepaalde cumulatieve geluidwaarden als gevolg van activiteiten aanvaardbaar worden geacht, kunnen een aanknopingspunt bieden. Maar in landelijk gebied, waar veel windparken worden gebouwd, zijn dergelijke aanknopingspunten lang niet altijd aanwezig en is ook de vraag of dit het doel van de wetgever was bij het opnemen van de mogelijkheid tot het vaststellen van een maatwerkvoorschrift. De motivering zal daar zeker lastiger worden.

Conclusie

Het lijkt er op dat het concept van woningen in de sfeer van de inrichting bij windparken deels een halt toegeroepen is door de Raad van State. Het enkele feit dat iemand een vergoeding ontvangt voor het accepteren van een hogere geluidbelasting is niet zoals de wetgever de bescherming van woningen heeft bedoeld. Naar onze mening wil dit niet zeggen dat de mogelijkheid van molenaarswoningen nu helemaal van tafel is, maar de motiveringsplicht wordt strenger. Tegelijkertijd lijkt in gevallen waarbij de eigenaar van de woning ook de initiatiefnemer en grondeigenaar voor het windpark is en er bovendien zelf ook woonachtig is, een woning in de sfeer van de inrichting nog steeds verdedigbaar. Zeker nu in het kader van het klimaatakkoord lokaal eigendom van decentrale duurzame energieproductie een belangrijker onderdeel wordt.

Anderzijds zijn er ook andere oplossingen voorhanden, die voor projecten die nu in de fase van vergunningverlening en besluitvorming verkeren, goed zijn om serieus te overwegen. Daarbij zou per geval moeten worden overwogen of het gebruik van molenaarswoningen wel nodig en gewenst is.

Overname Energiepark Pottendijk door Eneco

Jeroen Deddens (eigenaar Energiepark Pottendijk B.V.) en Eneco hebben overeenstemming bereikt over de verkoop van Energiepark Pottendijk. Dankzij deze overeenkomst neemt Eneco de verdere ontwikkeling en realisatie van Energiepark Pottendijk over. Pondera heeft intensief samengewerkt met de heer Deddens en advocatenkantoor HVG Law om de verkoop van Energiepark Pottendijk te begeleiden middels een uitgebreide tender. Pondera heeft verschillende potentiële kopers uitgenodigd om een aanbieding uit te brengen voor de koop van het energiepark. De verkoopbegeleiding bestond onder andere uit de volgende werkzaamheden:

  • Due diligence en waardebepaling Energiepark Pottendijk;
  • Opstellen verkoopprospectus en biedingsinstructies;
  • Besprekingen en onderhandelingen met potentiele kopers;
  • Beoordelen van de aanbiedingen en termsheets uitgebracht door potentiele kopers;
  • Selecteren koper;
  • Onderhandelingen en contractering van het Share Purchase Agreement (SPA; koopovereenkomst).

Eneco is uit dit proces als koper geselecteerd. Vervolgens heeft Pondera de heer Deddens bijgestaan gedurende de onderhandelingen en contractering van de SPA.

Energiepark Pottendijk bestaat uit een windpark van 12 tot 14 windturbines en een zonnepark van 35,5 hectare. In totaal zal het energiepark circa 100 MW aan opgesteld vermogen realiseren. Pondera heeft (in samenwerking met BugelHajema) in 2018 het MER opgesteld en de omgevingsvergunning aangevraagd voor de bouw en exploitatie van het zonnepark en de 14 windturbines. Op 28 september 2018 is door de gemeente Emmen de omgevingsvergunning afgegeven voor de bouw en exploitatie van de 12 tot 14 windturbines.

In de vervolgfase zal Eneco intensief blijven samenwerken met de heer Deddens aan de ontwikkeling en realisatie van Energiepark Pottendijk. Pondera zal Eneco verder ondersteunen met de uitvoeringsvergunningen en permit management voor de realisatie van het energiepark.