Omgang met stikstof bij duurzame energie (Blog)

De uitspraak van de Raad van State over het PAS (Programma Aanpak Stikstof) op 29 mei van dit jaar heeft een onvoorstelbaar grote doorwerking gehad. In vergunningverlening en daarmee in de voortgang van ruimtelijke ontwikkelingen, maar ook in de manier waarop de maatschappij aankijkt tegen natuurbeleid en -regelgeving. De titel van het eerste rapport van de Commissie Remkes “Niet alles kan” spreekt voor zich.

Ook al is het niet voor de hand liggend bij duurzame energieprojecten, ook wij hebben in ons werk als adviseurs te maken met stikstof. We maken Aerius-berekeningen voor milieueffectrapportages en vergunningaanvragen, zorgen dat deposities ecologisch worden beoordeeld en adviseren onze klanten over het issue waar zij zich mee geconfronteerd zien (Natura 2000/PAS). Tegenwoordig gaat het dan natuurlijk over de consequenties van de uitspraak van de Raad van State voor het project van de klant.

Voor de uitspraak was een stikstofbeoordeling vaak een formaliteit. Bij duurzame energieprojecten is er alleen sprake van emissies tijdens de aanleg. Die zijn tijdelijk en voor zon- en windprojecten op land heel klein. Als het duurzame energieproject operationeel is, levert het een bijdrage aan het reduceren van de stikstofbelasting, omdat de duurzame energie in de plaats komt van fossiel opgewekte energie. Bij fossiele energiebronnen komen wel (grote) hoeveelheden stikstof vrij. De verplichte Aerius-berekening waarmee de stikstofdepositie wordt bepaald, liet dan ook zien dat stikstofdepositie geen probleem vormde. Het resultaat was vaak minder dan 0,05 mol/ha/jaar, hetgeen leidde tot een vrijstelling van vergunning. Deze drempel is echter weg.

De laatste maanden zijn wij bij Pondera Consult, net als de rest van Nederland, de diepte ingegaan. Het lijkt niet logisch dat duurzame energieprojecten, die onderaan de streep juist stikstofuitstoot voorkomen, belemmerd worden door onze stikstofregels. In dit blog sta ik dan ook stil bij de stand van zaken en de vraag hoe wij hier mee om gaan en tegen het issue aan kijken.

Belemmering of niet?

Het is geen nieuws dat een groot aantal Natura 2000-gebieden overbelast is door stikstofdepositie (namelijk 118 gebieden zijn overbelast van een totaal van ruim 160 Natura 2000-gebieden). Overbelast betekent dat de actuele depositiewaarde in een gebied de kritische depositiewaarde voor een goede natuurkwaliteit overschrijdt. Vanzelfsprekend hangen daar onzekerheden omheen (denk aan het bepalen van de hoogte van de kritische depositiewaarde, de meting van de actuele stikstofdepositie, de verspreidingsmodellen en de actuele staat van een stikstofgevoelig habitattype in een Natura 2000-gebied). Bij al deze onderdelen van het vraagstuk zijn interessante vragen te stellen, bijvoorbeeld: wanneer heeft een depositie nu daadwerkelijk een ecologisch effect? Bijvoorbeeld aangezien dat de ‘kritische depositiewaarde’ is afgerond op hele kilo’s stikstof en de toetsing zich richt op een nauwkeurigheid van 0,01 mol/ha/jr wat overeenkomt met 0,14 gram/ha/jr. Rondom stikstof zijn de getalsmatige uitkomsten van Aerius nu leidend, uit vrees voor de toets van de Raad van State. Op zicht geldt voor de Raad van State echter de Wet natuurbescherming welke verlangt dat wordt aangetoond dat significant negatieve effecten uitblijven; dat maakt bijvoorbeeld dat een ecologische afweging van een tijdelijke en geringe depositie acceptabel kan zijn. Dat is in uitspraken voor het PAS ook bevestigd.

Vooralsnog is echter het vertrekpunt dat veel van de betreffende plantengemeenschappen die op grond van criteria uit de Vogel- en Habitatrichtlijn zijn aangewezen er niet goed voor staan en dat de stikstofdepositie hoger ligt dan de vastgestelde kritische waardes. Uitgaande van de huidige kaders en inzichten is het dan ook onvermijdelijk dat er gevolgen worden geconstateerd en actie moet worden genomen om de benodigde goedkeuring te krijgen voor projecten met, al dan niet tijdelijke, emissies. Dat is ook in lijn met het eerste advies van de Commissie Remkes en de recente brief van Minister Schouten (4 oktober 2019). Kortom, een open deur; ja, stikstof is een potentiële belemmering. Echter, deze is hanteerbaar zoals hierna blijkt.

Wat gaat de overheid doen?

Er is veel geschreven (en geroepen) nu de consequenties van de uitspraak van de Raad van State meer en meer duidelijk worden. De beslissing van het Rijk en provincies om in eerste instantie geen medewerking te verlenen aan projecten met (zelfs minimale) stikstofdeposities, het buiten werking stellen van de Aerius-calculator tot 16 september jongstleden en de opeenvolging van vernietigingen van vergunningen door de Raad van State (van projecten die met het PAS waren vergund, waarvoor de Raad wachtte op haar uitspraak van 29 mei) hebben daar aan bijgedragen. Uiteindelijk stond het Malieveld vol. Hierdoor werd het uiteindelijk heel duidelijk: projecten uit alle sectoren liggen stil.

De eerste echte aanzet om vergunningverlening weer op gang te komen volgt uit de brief van de minister van LNV van 4 oktober 2019 volgend op het eerste (korte termijn) advies van de Commissie Remkes. Volgende adviezen van deze deskundigencommissie zijn aangekondigd voor eind 2019 (beweiden en bemesten) en mei 2020 (mobiliteit en nieuwe aanpak stikstof).

In de brief wordt ingegaan op de aanpak van de Minister, de wijze waarop weer vergunningen kunnen worden verkregen, bronmaatregelen die worden getroffen en monitoring van stikstofdeposities. Aan het einde van dit blog is in een separaat kader de inhoud van de brief puntsgewijs opgesomd.

Voor mij allemaal interessant, maar bijzonder belangwekkend zijn de mogelijkheden om weer vergunningen te verkrijgen voor projecten. Kort en goed komt het erop neer dat de mogelijkheden die al bestonden voordat het PAS er was worden opgesomd, maar dat deze beperkt worden als het gaat om saldering. Goedkeuring op grond van een ecologische beoordeling of de ADC-toets zijn niet nieuw. Ze zijn wel fijn omdat we er ervaring mee hebben. Het is belangrijk op te merken dat op het punt van de ecologische beoordeling er een grijs gebied is. Ecologische beoordelingen worden opgesteld door ecologen, echter verschillen kunnen ontstaan als bevoegde gezagen over de aanvaardbaarheid van de oordelen een verschillend standpunt innemen. Het is daarbij niet moeilijk voor te stellen dat overheden terughoudend zijn met het accepteren van een ecologische beoordeling die concludeert dat een zeer kleine depositie, op gebieden die reeds overbelast zijn, niet aanvaardbaar is uit vrees voor de houdbaarheid van een besluit. Mijns inziens is terughoudendheid daarbij niet nodig als er een degelijk ecologische beoordeling ligt die uitwijst dat het behalen en/of behouden van de instandhoudingsdoelstellingen niet in het geding zijn; deze toetsing beoordeeld de Raad van State immers. Het spreekt voor zich dat een gang naar de Raad van State voor de eerste paar cases bijzonder spannend is.

Ten aanzien van intern en extern salderen is er wel sprake van een nieuwe aanpak. Voor het PAS was intern en extern salderen een gangbare praktijk, tijdens het PAS bij wet niet meer toegestaan. Met het vervallen van het PAS is dit weer mogelijk, alleen is beleidsmatig aangegeven dat alleen medewerking wordt gegeven aan saldering met feitelijk vergunde en gerealiseerde stikstofemissies. Uitzonderingen op de regels zijn mogelijk, waaronder voor duurzame energieprojecten. Hiermee komt een einde aan geschuif met emissies op papier, die feitelijk niet plaatsvinden. Bij externe saldering, waar nu nog geen medewerking aan wordt verleend, geldt daarbij dat er 30% van de emissies wordt afgeroomd. Er mag maar met 70% van de saldogevende activiteit worden gesaldeerd. De beleidsregel waarin de regels voor saldering zijn uitgewerkt is op 8 oktober verschenen op de website van BIJ12 (de uitvoeringsorganisatie van provincies voor met name natuur) (zie onderaan bij de linkjes). Deze treden in werking na publicatie in het Provinciaal Blad per provincie.

Een mogelijke bron van saldering die nieuw is betreft saldering met activiteiten waaraan geen besluit ten grondslag heeft gelegen. Met andere woorden: activiteiten waarvoor geen vergunning nodig was die reeds aanwezig waren op het moment dat de Natura 2000-gebieden zijn aangewezen. Dit betreft bijvoorbeeld akkerbouw (bemesten veroorzaakt veel stikstof) en verkeer. Dat biedt interessante mogelijkheden voor projecten die bijvoorbeeld op agrarische grond worden gerealiseerd.

Wat te doen als initiatiefnemer?

Voor initiatiefnemers is het duidelijk dat de goedkeuring van projecten sinds de uitspraak van de Raad van State in mei dit jaar deels onveranderd is. Het inventariseren van de aanlegwijze, bouwwerk- en voertuigen en bouwplanning zijn niet nieuw. Bij Pondera stellen we daarvoor een zogenaamd ‘Construction Emissions Plan’ op. Met een berekening door de Aerius-calculator (http://calculator.aerius.nl) kan worden bepaald of er depositie optreedt op gevoelige habitattypen en zo ja, hoeveel. Alternatieve rekenmethodes zijn juridisch (onderbouwd) mogelijk, maar worden naar verwachting door het bevoegd gezag niet geaccepteerd. Wijst de calculator uit dat er geen belasting is (resultaat 0,00 mol/ha/jr), of wordt de kritische depositiewaarde niet overschreden kan een negatief effect worden uitgesloten. Maar wordt in de huidige situatie de kritische depositiewaarde al overschreden (via de legenda is dit zichtbaar te maken in de Aerius Calculator)? En treedt er een belasting, hoe klein ook, op? Dan ontstaat er een nieuwe situatie.

Om een vergunning te verkrijgen zullen de opties die hiervoor benoemd zijn moeten worden gekozen of gevolgd om vergunning/goedkeuring te verkrijgen: salderen, ecologisch beoordelen of het doorlopen van een ADC toets. Voor het salderen en de ADC toets geldt dat het effect moet worden weggenomen. Of door een andere stikstofbron weg te nemen (tijdens de bouw in ieder geval) of door een compensatie te treffen gericht op het habitattype dat wordt geraakt, bijvoorbeeld inrichten van nieuw natuurgebied. Ten aanzien van de ADC-toets geldt kort gezegd dat deze goed toepasbaar is voor duurzame energieprojecten vanwege de beleidsdoelstellingen die gediend zijn met deze projecten. De vraag of er alternatieven beschikbaar zijn is voor kleine decentrale opwekinstallaties een aandachtspunt. Ik verwacht dat bij het beoordelen van alternatieven toch ook snel de vraag weer boven komt of dat eigenlijk wel een zinvolle analyse is aangezien het vaak om eenmalige en hele kleine deposities zal gaan. Maar het kan noodzakelijk blijken vanwege het wettelijk kader als vooraf geen zekerheid is te bieden. Interessant is de gedachte om te compenseren met andere stikstofbronnen. Het ene jaar een tijdelijke extra belasting maar compensatie door het permanent wegnemen van een stikstofbron tijdens de exploitatie, bijvoorbeeld door het areaal akker dat niet meer bemest wordt door de civiele werken, of de vermeden emissies van verwijderde CV-ketels ten gevolge van de aanleg van een warmtenet.

De ecologische beoordeling is een oplossingsrichting die in het verleden soms wel, soms niet goed afliep voor het betreffende project. Veelal werd de relativiteit van een belasting als argument gehanteerd (ecologisch niet relevante belastingen bijvoorbeeld). Vanuit het gegeven dat de aanlegfase de fase is waar stikstof wordt uitgestoten bij duurzame energieprojecten en de uitstoot en depositie tijdelijk is en vaak een zeer beperkte belasting veroorzaakt, lijkt dit voor deze projecten een logische en te verantwoorden aanpak. Deze aanpak doet denken aan de 1% mortaliteitsnorm die wordt gehanteerd bij vogelaanvaringen, die optreedt bij windturbines. Kort gezegd: een effect zo klein dat het wegvalt binnen de nauwkeurigheidsgrenzen van in dit geval de jaarlijkse natuurlijke sterfte bij een vogelsoort.

Innovatieve oplossingen

Door het land heen wordt gekeken naar oplossingen om de daadwerkelijke belasting bij stikstofgevoelige natuurgebieden te beperken. Meer en minder innovatieve oplossingen zouden kunnen zijn:

  • Een Sectoraal Stikstof Programma Energietransitie, waarbij de stikstofdepositie als gevolg van de aanleg van duurzame energie-installaties wordt gesaldeerd met de stikstofbesparing bij fossiele opwek;
  • Aanbestedingseisen ten aanzien van elektrische of jonge werk- en transportvoertuigen voor de aanlegfase, welke geen of in elk geval aanzienlijk minder stikstof uitstoten;
  • Stikstof betrekken in het bedrijfsbeleid gericht op Maatschappelijk Verantwoord Ondernemen (elektrisch rijden, schoon inkopen, etc);
  • Retrofitten van nabehandelingstechnieken (Ad Blue) in oude werk- en transportvoertuigen;
  • Tijdelijke lokale maatregelen als snelheidsverlaging van het bestaande verkeer;;
  • Herontwerp bouwmethodes (‘zo doen we het altijd’) om bouwtijd in te korten of het aantal transporten te reduceren: bijv. geen permanente bouwwegen en kraanopstelplaatsen om (zware) transporten te beperken, meer pre-assemblage in de fabriek, monopiles op land, etc.

De inzet van het Rijk op emissie-eisen op Europees niveau is daarbij bijzonder behulpzaam aangezien een belangrijk deel van de jaarlijkse stikstofdepositie uit het buitenland komt.

Alle oplossingen hebben hun mitsen en maren. Tegenover deze bezwaren staat echter het gegeven dat het soms niet anders kan. De afweging van kosten, (juridisch) risico en maatschappelijk verantwoord ondernemen zal er anders uitzien door het wegvallen van het PAS.

Informatie:

Geothermie, de toekomst voor duurzame warmte (Blog)

Geothermie wordt door velen als dé ‘nieuwe’ bron voor duurzame energie beschouwd. Sinds de eerste putten in 2007 is de techniek als bron voor duurzame energie meer volwassen geworden. Ook wordt deze bron vanwege de beperkte (visuele) effecten als zeer goed inpasbaar gezien. Pondera ziet dan ook een grote rol voor deze bron weggelegd in de energietransitie, waardoor binnen korte tijd meerdere ontwikkelingen tegelijkertijd zullen lopen. Pondera beschikt over de expertise om dergelijke projecten verder te brengen en tot realisatie te krijgen.

In deze blog wordt dieper ingegaan op de technische mogelijkheden van geothermie, oftewel het aanbod. De vraag en bediening daarvan zal onderwerp zijn van een tweede blog, om vervolgens in een afrondend blog het huidige toekomstbeeld van de sector te beschouwen.

Potentie van geothermie

In 2050 zijn 3,1 miljoen huishoudens aangesloten op een door aardwarmte gevoed warmtenet. Aldus de geothermie-sector zelf. In het klimaatakkoord wordt hierop ingespeeld door aardwarmte een grote rol te geven in het voeden van de nog aan te leggen warmtenetten. Deze netten voorzien in 2030 voor 40 PJ aan duurzame warmte. Voor het realiseren van deze opgave voorziet Energiebeheer Nederland B.V. (EBN) vanaf 2025 jaarlijks tien nieuwe geothermieprojecten.

Het potentieel van aardwarmte wordt dus erkend, maar wat is er nodig om dit potentieel zo optimaal mogelijk te benutten?

Vraag en aanbod

Het eerste aandachtspunt is voor de hand liggend: vraag en aanbod moeten op elkaar worden afgestemd. Voor de warmtevraag betekent dit dat de warmtebron dichtbij een gecentreerde warmtevraag moet liggen. Het voor velen bekende kaartbeeld van TNO geeft hier een goed overzicht van. Dit kaartbeeld koppelt de nu bekende ondergrondse ‘hotspots’ voornamelijk aan steden en bedrijven met een passende warmtevraag. In opdracht van het Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) wordt op dit moment onderzoek uitgevoerd om onbekende delen van de ondergrond beter in kaart te brengen, wat eventueel kan leiden tot een aanvulling op het kaartbeeld in de eerste onderzoekslijn tussen Haarlem en Nijmegen[1].

Als er een ‘match’ tussen boven- en ondergrond is, wordt een exploratievergunning aangevraagd zodat een proefboring verricht mag worden. Maar wanneer is er sprake van een ‘match’? De meest bekende voorbeelden aan de vraagzijde zijn de tuinders in het Westland, of (grootschalige) nieuwbouwwijken. Tuinders kennen een grote en redelijk constante warmtevraag, waardoor een geothermiebron hier uitstekend voor geschikt is. De warmtevraag in een nieuwbouwwijk is nogal variabel in zowel dagdeel als seizoen, hierdoor is de toepassing van alléén een geothermiebron al minder geschikt en zijn aanvullende technieken gewenst zoals de restwarmte en warmte-koude-opslag (WKO). Dit compliceert de afstemming van vraag en aanbod, en daarmee de ontwikkeling van de geothermiebron.

Veiligheid

In het verkennende stadium van ontwikkeling is het moment waarover veel onduidelijkheid bestaat. In de kamerbrief[2] over aardwarmte van Minister Wiebes wordt aangegeven dat de sector relatief jong en onervaren is, waardoor nieuwe wet- en regelgeving en scherp toezicht nodig is om een veilige gang van zaken te garanderen. Met de gevolgen van de gaswinning in Groningen in het achterhoofd, wil de Minister vergelijkbare situaties voorkomen. De ontwikkelingen omtrent de geothermiebron in Horst aan de Maas[3] (nabij Venlo) geven invulling aan deze ‘better-safe-than-sorry’-aanpak. Vooralsnog is de nieuwe wetgeving voorzien in januari 2020. De insteek van de Minister is om operators van een geothermiebron eerst een zoekgebied aan te laten vragen, waarbinnen nader (geologisch) onderzoek plaatsvindt. Vervolgens wordt een startvergunning aangevraagd op basis waarvan de eerste warmtewinning kan plaatsvinden, om daarna een vervolgvergunning aan te vragen voor de volledig operationele fase van de geothermiebron.

Staatstoezicht op de Mijnen (SodM) gaf aan dat de milieu- en veiligheidsrisico’s onvoldoende worden onderkend, wet- en regelgeving niet goed genoeg nageleefd wordt en er sprake is van een zwak ontwikkelde veiligheidscultuur. De sector is nog onervaren, beperkt in omvang en deelt kennis onvoldoende[4]. Het is dus van uiterst belang om de beschikbare kennis uit de gas- en olieindustrie optimaal te benutten in zowel de planontwikkeling als de engineering en exploitatie van een geothermiebron.

[1] Bron: https://scanaardwarmte.nl/waar-doen-we-onderzoek/
[2] Beleidsbrief Geothermie, d.d. 8 februari 2018 kenmerk DGETM-EO / 18010306
[3] Limburgse aardwarmte loopt vast op breuklijnen en toezicht Het Financieele Dagblad, d.d. 1 oktober 2018
[4] Staat van de Sector Geothermie, Staatstoezicht op de Mijnen, 2017.

Volgende blogposts Geothermie

Blog 2 – Geothermie; Vraag en bediening
Blog 3 – De toekomst

Vragen?

Heeft u vragen over dit onderwerp en wat Pondera voor u kan betekenen, dan kunt u contact opnemen met:

Maarten Jaspers Faijer | m.jaspersfaijer@ponderaconsult.com | +31 (0)6 28 43 11 53
Joep Beijerj.beijer@ponderageoenergy.com | +31 (0)6 29 60 51 98
René Vreugdenhilr.vreugdenhil@ponderageoenergy.com | +31 (0)6 51 79 67 02
Jeroen Meistersj.meisters@ponderageoenergy.com | +31 (0)6 55 14 00 55

Grootste turbines voor lage tot gemiddelde windsnelheden

Winderige gebieden in landen met goed ontwikkelde markten voor windenergie, zoals de VS, het VK of Duitsland, worden geleidelijk gevuld door windparken. Ontwikkelaars van hernieuwbare energie kijken daarom naar mogelijkheden om windparken verder te ontwikkelen in gebieden met lage tot gemiddelde windsnelheden. Andere regio’s met lagere windsnelheden worden ook overwogen in nieuwe en opkomende markten zoals delen van West- en Zuid-Azië, Zuidoost-Azië, Afrika en andere regio’s in midden- tot lagere breedtegraden over de wereld.

Fabrikanten van windturbines proberen dit marktsegment te vullen door turbines te produceren die specifiek zijn gericht op locaties en omstandigheden met lagere windsnelheid. Dit wordt gedaan door klanten hogere turbinetorens te bieden, bestaande generators te combineren met nieuwere en langere turbinebladen of zelfs nieuwe generators te ontwerpen. Naarmate windturbines betrouwbaarder, efficiënter en goedkoper worden, wordt verwacht dat zelfs lage windsnelheid omstandigheden in nearshore en offshore locaties in de toekomst ook verder zullen worden benut.

Wat verstaat de windenergie-industrie onder turbines bedoeld voor lage tot gemiddelde windsnelheden? Volgens de internationale standaard IEC 61400-1: 2019 (editie 4.0) met betrekking tot het ontwerp van windturbines, zien we op basis van de jaarlijkse gemiddelde windsnelheden, dat windturbines onderverdeeld zijn in vier ontwerpklassen: I (gemiddelde snelheid tot 10 m/s), II (tot 8,5 m/s), III (tot 7,5 m/s) en S (een locatie specifieke klasse). Wanneer turbulentie-intensiteit wordt overwogen, worden de volgende categorieën toegevoegd als achtervoegsels aan de klassen: A+ (een turbulentie-intensiteit tot 0,18), A (tot 0,16), B (tot 0,14) en C (tot 0,12). Verder wordt in de classificatie ook rekening gehouden met de 10 minuut gemiddelde windsnelheid met een terugkeerperiode van 50 jaar onder normale en tyfoon- of orkaan-omstandigheden (Tabel 1). Klasse IA+ is dan bijvoorbeeld de meest extreme windturbineklasse buiten klasse S.

Er zijn geen gestandaardiseerde definities voor “lage” of “gemiddelde” windsnelheden, wat in principe kwalitatieve beschrijvingen zijn. Toch wordt over het algemeen beschouwd dat windturbines voor lage windsnelheid behoren tot de klassen tot en met IIIA (7,5 m/s), terwijl turbines voor middelhoge windsnelheid tot en met klasse IIA (8,5 m/s) behoren. Alle andere klassen tot en met IA+ worden over het algemeen beschouwd als turbines voor hoge windsnelheden.

Hieronder bekijken we de nieuwste windturbines die ontworpen zijn voor de markt voor lage tot middelhoge windsnelheden. Elke turbine die op onze lijst staat wordt aangeboden door een andere fabrikant om een goed beeld te krijgen van wat beschikbaar is of beschikbaar zal worden in de nabije toekomst. Deze lijst is geen volledig overzicht maar omvat de meeste grote spelers in de windturbine-industrie.

Windturbine Siemens Gamesa SG 5.8-170

Als eerste op onze lijst staat de grootste onshore windturbine ter wereld op dit moment in termen van rotordiameter. De SG 5.8-170, zoals duidelijk uit zijn naam blijkt, heeft maar liefst een rotordiameter van 170 m, een drietraps versnellingsbak en een generator van 5,8 MW, die tevens ook de krachtigste is in de Siemens Gamesa onshore familie van turbines. Ashoogtes zijn locatiespecifiek en kunnen variëren van 100 tot 165 m volgens de website van het bedrijf. De turbine wordt specifiek aanbevolen voor omstandigheden met een lage tot gemiddelde windsnelheid, waarvan het eerste prototype naar verwachting in het derde kwartaal van 2020 zal worden gebouwd.


Siemens Gamesa SG 5.8-170

Windturbine Vestas V172-5.6 MW

De V162 heeft tot nu toe de grootste rotordiameter van alle onshore Vestas windturbines en maakt deel uit van het nieuwste EnVentus-platform dat gebruik maakt van permanente magneetgeneratoren. De IEC S-klasse turbine is ontworpen voor lage tot gemiddelde windlocaties, maar ook geschikt voor hogere windsnelheden. De ashoogte zal naar verwachting tussen 119 en 166 m variëren. Als eerste bedrijf dat wereldwijd 100 GW aan windturbines heeft geïnstalleerd, wil Vestas zich richten op de lage tot gemiddelde windsnelheid met het EnVentus-platform, terwijl het ook kleinere turbines in het 3 MW-bereik voor de lagere windsnelheidscategorieën blijft ontwikkelen. De V162 wordt als prototype naar verwachting medio 2020 uitgerold.


Vestas V162-5.6 MW

Windturbine Enercon E-160 EPS

Als grootste turbine in de Enercon-lijn, werd de E-160 EP5 gepresenteerd op de WindEurope congres in Bilbao in april 2019. Gebaseerd op de Nederlandse Lagerwey-technologie overgenomen door Enercon in 2018, heeft deze tandwielloze permanente magneet generator aangedreven turbine een klasse IIIA-aanduiding. De E-160 EP5 heeft verder een rotordiameter van 160 m, een ashoogte van 120 tot 166 m en een nominaal vermogen van 4,6 MW. Het prototype is gepland om begin 2020 te worden getest.


Enercon E-160 EP5

 

Windturbine GE 5.3-158

De GE 5.3-158 maakt deel uit van het nieuwe onshore Cypress-platform van turbines die ontworpen zijn om in de loop van de tijd opschaalbaar te zijn. Hierdoor kan GE een groter bereik in nominaal vermogen en ashoogtes bieden. De turbine werd gepresenteerd op de WindEurope congres 2018 in Hamburg. Het is momenteel de grootste en krachtigste windturbine op land ter wereld en bouwt voort op het vorige GE 4.8-158 turbineontwerp. De turbine werd geïnstalleerd op het ECN testpark in de Wieringermeer, waar Pondera Consult assisteerde bij de vergunningen, geluids- en schaduwstudies. Pondera was ook verantwoordelijk voor de beoordeling van het windaanbod en de berekening van de energieopbrengst voor de SDE+ subsidieaanvraag. Ondanks dat de 5.3-158 de grootste GE-windturbine op land is, is het nog steeds niet de grootste van GE. Deze prijs gaat naar de GE offshore Haliade-X windturbine met een rotormaat van 220 m, waardoor het momenteel de grootste windturbine ter wereld is. De Haliade-X wordt momenteel geïnstalleerd, voor prototype testen in de Tweede Maasvlakte in de haven van Rotterdam, door GE en Future Wind, een joint venture tussen Sif Holding en Pondera Development.


GE 5.3-158

Windturbine Goldwind GW155-3.3 MW

In oktober 2018 kondigde de grootste Chinese windturbinefabrikant Goldwind, de ontwikkeling van de GW155-3.3 MW aan als onderdeel van het 3S-platform. De GW155-3.3 MW zal de grootste onshore Chinese windturbine worden in termen van rotordiameter. De permanente magneet direct aangedreven (PMDD) GW155-3.3 MW werd aangekondigd samen met de lage snelheid offshore GW168-6.45 MW turbine die ook bedoeld is voor tyfoon- of orkaan-omstandigheden. Dit duidt duidelijk op de toegenomen focus van Goldwind op het lage windsnelheid marktsegment, wat ook erg belangrijk is voor China als grootste windenergiemarkt ter wereld.


Goldwind 3S platform

Windturbine Nordex N149/4.0-4.5

De Nordex N149/4.0-4.5 is de winnaar van de prijs voor de Windpower Monthly Windturbine van het Jaar 2018 in de categorie +3 MW. De turbine heeft succes gevonden in verschillende delen van de wereld, waaronder een recente bestelling van 74 turbines bestemd voor de Amerikaanse staat Oklahoma en nog eens 35 turbines besteld door Acciona voor de staat Victoria in het zuidoosten van Australië. De turbine maakt deel uit van het Delta4000-platform van Nordex en werd voor het eerst geïnstalleerd in augustus 2018 op het Wennerstorf II Windpark in Duitsland. De S-klasse N149/4.0-4.5 turbine heeft een drietraps versnellingsbak met een dubbel gevoede asynchrone generator die schaalbaar is tot een nominaal vermogen van 4,5 MW en wordt aangeboden met een ashoogte variërend tussen 105 en 164 m. Verrassend heeft Nordex onlangs haar nieuwste turbine aangekondigd in het Delta4000-platform, de N155/4.5 met een rotordiameter van 155 m. De productie van de N155 zal naar verwachting in het laatste deel van 2020 beginnen.


Nordex N149/4.0-4.5

Windturbine Envision EN148-4.5

De enige ‘offshore’ turbine met lage windsnelheid op onze lijst en waarschijnlijk een van de beter ogende, de EN148-4.5 van Envision Energy werd ontworpen samen met de Italiaanse ontwerper Stefano Giovannoni. Envision Energy is de op één na grootste Chinese windturbinefabrikant, met wereldwijd meer dan 2600 geïnstalleerde turbines en beweert de leider te zijn in de turbines voor lage tot gemiddelde windsnelheid op de Chinese markt. De klasse S aangewezen EN148-4.5 heeft een drietraps versnellingsbak, een 4,5 MW nominale vermogen en een rotordiameter van 148 m.


Envision EN148-4.5

Windturbine Senvion 4.2M148 EBC

De grootste onshore windturbine van Senvion werd gepresenteerd op de WINDPOWER 2018 congres van AWEA in Chicago, de VS. De 4.2M148 EBC is gecertificeerd in de IEC S-klasse gebaseerd op de IEC IIIB-classificatie, waardoor het een flexibele turbine is voor de lage tot gemiddelde windsnelheid op land. De 4.2M148 EBC bestaat uit een bijgewerkt versnellingsbakontwerp met een rotordiameter van 148 m en een nominaal vermogen dat kan worden gemaximaliseerd tot 4,5 MW. De turbine is besteld voor windparken in Chili en wordt verwacht geïnstalleerd te worden in 2020.


Senvion 4MW wind turbine series

Is groter altijd beter?

Of groter altijd beter is hangt echt van de situatie af. Over het algemeen zal een groot rotoroppervlak meer wind in energie omzetten. Er zijn echter veel factoren waarmee rekening moet worden gehouden, zoals de locatie specifieke omstandigheden, het windklimaat, de kosten van de turbine en de installatie, de exploitatie- en onderhoudskosten, de vermogenscurve van de turbine en de totale capaciteitsfactor. Al deze factoren spelen een rol in de genivelleerde energiekosten (LCOE). Het “specifieke vermogen”, dat is de verhouding tussen het nominale vermogen van de generator en het rotoroppervlak, is ook een belangrijke factor. Een zeer grote rotoroppervlak in combinatie met een kleiner nominaal vermogen zou het specifieke vermogen verlagen, waardoor de hoeveelheid opgewekte elektriciteit wordt verminderd. Er zijn echter voorbeelden waarbij er doelbewust voor gekozen om het specifieke vermogen te verlagen om de capaciteitsfactor te maximaliseren, waarbij stabielere en goedkopere energie wordt geproduceerd. In dergelijke gevallen zijn turbines zoals de Goldwind GW155-3.3MW of de Nordex N149 4,0 MW voor sommige ontwikkelaars een gunstige keuze.

SDE+ 2019 – Wat is er veranderd? (Blog)

Noteer in uw agenda: op 12 maart wordt de voorjaarsronde van de regeling Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE+) geopend. Zoals elk jaar past de Minister van EZK de regeling op een aantal punten aan. In deze blog benoemen we op welke punten de regeling voor zonne- en windenergie verschilt ten opzichte van de SDE+ 2018. Verder kijken we vooruit naar de SDE++, de regeling die de SDE+ vanaf 2020 gaat opvolgen.

Algemeen

De voorjaarsronde 2019 wordt op de volgende momenten opengesteld:

  • Fase 1: 12 maart om 9:00 (sluit bij opening fase 2)
  • Fase 2: 18 maart om 17:00 (sluit bij opening fase 3)
  • Fase 3: 25 maart om 17:00. Deze ronde sluit op 4 april om 17:00.

De openstellingsmomenten van de najaarsronde worden later besloten, maar de fases zullen naar verwachting in de maand oktober open gaan.
De budgetten per ronde worden verlaagd van € 6 miljard in 2018 naar € 5 miljard in 2019. De totale subsidiepot in 2019 bevat dus geen € 12 miljard maar € 10 miljard. In zijn brief aan de Tweede Kamer schrijft Eric Wiebes dat dit bedrag lager is dan 2018 “vanwege de scherpere verhouding tussen potentiële projecten en beschikbaar verplichtingenbudget.” Mogelijk komt dit door de scherpe daling in toegekende subsidies in de voorjaarsronde van 2018. In de najaarsronde van 2018 is voor € 7,7 miljard aangevraagd. Het is nog niet bekend hoeveel subsidie zal worden toegekend.

Grafiek van het budget voor de SDE in 2019
Bron: Wiebes, E. (2018, 13 september). Resultaten SDE+ voorjaarsronde en toezeggingen AO Energie & Klimaat [Kamerbrief]

Wind

  • De subsidiecategorieën voor windenergie zijn opgedeeld in jaarlijks gemiddelde windsnelheden. In 2019 komt daar een vijfde categorie bij: de categorie met windsnelheden tot 7 m/s was te grofmazig en is opgesplitst in een categorie van 6,75 tot 7 m/s en een categorie tot 6,75 m/s.
  • De basisbedragen voor windenergie veranderen over het algemeen weinig ten opzichte van de najaarsronde 2018. Het gaat om verschillen in de orde grootte van 0,1 ct/kWh.  Wat opvalt is dat de basisbedragen hoger zijn dan de adviezen die Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) voor de SDE+ 2019 had afgegeven.
  • De twee categorieën met windsnelheden lager dan 7 m/s worden het meest gecorrigeerd, met een afname van 0,2 ct/kWh in de categorie tot 6,75 m/s en een afname van 0,6 ct/kWh in de categorie van 6,75 tot 7 m/s. Voor wind op waterkering en wind in meer gaan de basisbedragen zelfs iets omhoog, met een orde grootte 0,1 ct/kWh.
  • Het voorlopige correctiebedrag is verhoogd van 3,2 naar 3,9 ct/kWh.
  • De definitie van ‘wind op primaire waterkering’ wordt uitgebreid met de harde of zachte zeewering van de Tweede Maasvlakte.
  • In de Tweede Kamerbrief benoemt Wiebes expliciet dat hij kleinere windturbines met een maximale ashoogte van 60 meter ook de ruimte wil geven voor SDE subsidie, zodat burgerinitiatieven meer ruimte krijgen. De subsidiebedragen zijn echter niet anders dan die voor overige windturbines. Met deze opmerking lijkt Wiebes voor te sorteren op een regeling voor kleine windturbines in het Klimaatakkoord.
  • Vanaf 2020 is KNMI-winddata het uitgangspunt bij de bepaling van het basisbedrag. Momenteel vindt de indeling van windprojecten in categorieën plaats op basis van de gemeentelijke indeling. De nieuwe methode voorkomt dat er bij projecten op gemeentegrenzen grote verschillen ontstaan in basisbedragen.
Tabel met SDE bedragen wind 2019
Bron: Wiebes, E. (2018, 21 december). Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE+) 2019 [Kamerbrief]

Zon-PV

  • Grofweg gaan de basisbedragen 0,5 ct/kWh omlaag voor zowel de PV-systemen kleiner dan 1 MWp als groter dan 1 MWp.
  • Omdat de overheid terughoudend wil zijn in het gebruik van zonnepanelen op productieve landbouwgrond, wil ze dakgebonden PV-systemen meer stimuleren dan veldsystemen. In de SDE+ 2019 wordt de categorie van PV-systemen groter dan 1 MWp in tweeën gesplitst: dakgebonden systemen en veld- en watersystemen.
  • De realisatietijd van veld- en watersystemen wordt verruimd van 3 naar 4 jaar, vanwege de langere tijd die nodig is voor netaansluiting.
  • Er wordt een nieuwe categorie met zonvolgende systemen toegevoegd. Dit zijn systemen met zonnepanelen die met de stand van de zon meedraaien. Voor zonvolgende systemen wordt hetzelfde basisbedrag gehanteerd als voor reguliere veldopstellingen, maar worden 240 vollasturen meer vergoed, namelijk 1190 uur/jaar ten opzichte van 950 uur/jaar.
  • De voorlopige correctiebedragen zijn gestegen met 0,3 ct/kWh (netlevering) en 0,6 ct/kWh (niet-netlevering)
Tabel met SDE bedragen zon 2019
Bron: Wiebes, E. (2018, 21 december). Stimulering Duurzame Energieproductie (SDE+) 2019 [Kamerbrief]

SDE++ (vanaf 2020)

De SDE+ 2019 zal de laatste subsidieregeling in deze vorm zijn, want vanaf 2020 wordt deze vervangen door de SDE++ regeling. Dit is het instrument om het doel van 49% emissiereductie in 2030 te verwezenlijken.

De SDE++ blijft een exploitatiesubsidie die zich richt op het subsidiëren van de ‘onrendabele top’ van klimaatvriendelijke technieken. De SDE++ wordt een verbreding op de SDE+, waarbij verschillende technieken gaan concurreren op vermeden CO2 in plaats van energieopbrengst. Dit geldt ook voor andere broeikasgassen dan CO2.  Voorbeelden van andere technieken zijn de productie van duurzame warmte, of CO2-opslag. Overige technieken kunnen aan de regeling worden toegevoegd wanneer deze marktrijp worden.
Naar verwachting wordt de definitieve SDE++ in het najaar van 2019 bekend gemaakt.

Heeft u behoefte aan ondersteuning bij uw SDE+ aanvraag? Wij helpen u graag. Neem contact op via energie@ponderaconsult.com.

Windturbinegeluid en gezondheid: feit en fictie

Op 10 oktober 2018 heeft de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) ‘Environmental Noise Guidelines for the European Region’ uitgebracht. De WHO geeft in het rapport een ‘voorwaardelijk’ advies om de blootstelling aan geluidniveaus van windturbines te reduceren tot 45 dB Lden. Op dit moment bedraagt de Nederlandse norm voor windturbinegeluid 47 dB Lden, wat is vastgelegd in het Activiteitenbesluit. Het advies, dat bedoeld is om effecten op de gezondheid te reduceren, veroorzaakte veel belangstelling en het rapport werd dan ook volop verspreid via Twitter en andere media.

Zo kopte het AD bijvoorbeeld het volgende:

"WHO: geluid windmolens is potentieel gezondheidsrisico."

Naar aanleiding van deze kop, en de vele andere nieuwsartikelen over het onderwerp, hebben we het rapport van de WHO zelf bestudeerd. Wat ons opvalt is dat de manier waarop de inhoud van het rapport in de media werd gebracht significant afwijkt van wat wij in het rapport aantreffen. Het grootste verschil is dat het rapport veel genuanceerder is. Omdat we het belangrijk vinden dat de discussie wat betreft windenergie over feiten gaat, willen we in deze blog ingaan op de huidige (wetenschappelijke) stand van zaken met betrekking tot turbinegeluid en gezondheid.

Rapport WHO is veel genuanceerder

Laten we beginnen met het meest recente rapport van de WHO. Daaruit blijkt dat er geen statistisch significante relatie gevonden is tussen de blootstelling aan windturbinegeluid en mogelijke gezondheidseffecten zoals hart- en vaatziekten, hoge bloeddruk, cognitieve stoornissen, gehoorproblemen, ongunstige zwangerschap uitkomsten en slaapstoornissen. Uit een viertal studies blijkt dat ongeveer 10% van de populatie sterk gehinderd wordt door blootstelling aan een geluidsniveauDe voorpagina van het rapport van de WHO over lawaai. van 45 dB. Maar het bewijs voor de relatie tussen windturbinegeluid, hinder en gezondheid wordt vervolgens – door de WHO zelf! – gekarakteriseerd als ‘van lage kwaliteit.’

Misschien nog treffender is de manier waarop de WHO op pagina 84 het rapport voor wat betreft geluid van windturbines samenvat: “very little evidence is available about the adverse health effects of continuous exposure to wind turbine noise.” Vrij vertaald: er is heel weinig bewijs beschikbaar voor de nadelige effecten van windturbinegeluid op de gezondheid.

Omstreden literatuur windturbinegeluid

Wellicht rijst nu de vraag waarom wij, als adviesbureau, de berichtgeving over dit rapport van de WHO zouden willen nuanceren. Dat heeft de volgende reden. Pondera heeft in de dagelijkse gang van zaken vaak te maken met critici van windenergie. Discussies over windenergie gaan we vanzelfsprekend niet uit de weg: als adviseur is het onze taak om te informeren én te adviseren. Wat wij merken is dat de wijze van berichtgeving en de kwaliteit van het gebruikte referentiemateriaal nog weleens afbreuk doet aan de kwaliteit van de inhoudelijke discussie. Een kritische blik op windenergie mag en móet, maar we vinden het van belang dat de dialoog over windenergie op feiten gebaseerd is. We bespreken daarom hieronder een aantal onderzoeken die in de dialoog vaak worden aangehaald, zowel wetenschappelijke als niet-wetenschappelijke.

Windturbinesyndroom
Een regelmatig gebruikte term in de discussie rondom windenergie en gezondheid is het ‘windturbinesyndroom’, afkomstig uit een onderzoek van de Amerikaanse arts Nina Pierpont (Pierpont, 2009). Deze ziekte zou veroorzaakt worden door laagfrequent geluid. De conclusies worden echter niet gedeeld door andere studies die de invloed van windturbines op gezondheid bestudeerden (zie bijvoorbeeld: The Oregonian editorial, 2010). De studie van Pierpont wordt breed bekritiseerd wegens een zwakke wetenschappelijke basis. Zo is de grootte van de steekproef die werd gebruikt vrij klein: slechts 38 personen. Andere punten die worden genoemd door critici (zoals in het artikel The junk science of wind turbine syndrome van Ketan Joshi (2012):

  • De symptomen werden door de proefpersonen zelf gerapporteerd, zonder tussenkomst van een medisch specialist en zonder onderzoek te doen naar de gezondheidshistorie. Het is goed mogelijk dat een aantal proefpersonen al gezondheidsproblemen had vóór de bouw van de windturbines in de omgeving en vóór het onderzoek werd uitgevoerd.
  • Het onderzoek bevatte geen controlegroep en het artikel is enkel peer reviewed (vrij vertaald: door een vakgenoot nagekeken) door persoonlijke kennissen van Pierpont. Geen enkele van deze peer reviewers had een achtergrond in akoestiek, epidemiologie of geneeskunde, terwijl dat precies is waar het artikel van Pierpont over ging.

Windturbine

Een soortelijke conclusie kan worden getrokken over het artikel van de Portugese onderzoeker M. Alves-Pereira (Branco en Alves-Pereira, 2004). Zij stelt dat er een relatie is tussen het geluid van windturbines (met name het laagfrequente geluid) en de aanwezigheid van hart- en vaatziekten. Ook deze studie wordt breed bekritiseerd (o.a. door Chapman and St George, 2013), aangezien het onderzoek niet voldoet aan de eisen die aan wetenschappelijke onderzoek mogen worden gesteld.

Niet één van de peer reviewers had een achtergrond in akoestiek, epidemiologie of geneeskunde, terwijl dat precies is waar het artikel van Pierpont over ging.

Omgekeerde bewijslast
In 2018 heeft huisarts S. van Manen een artikel gepubliceerd in het Medisch Contact met de titel: ‘Windmolens maken wel degelijk ziek’ (van Manen, 2018). Van Manen stelt dat het niet kan worden bewezen dat windturbines níet ziek maken. En omdat dat niet bewezen kan worden, zou je voorzichtig moeten zijn met het doorgaan met plaatsen van windturbines vanwege het voorzorgsbeginsel.

Maar Van Manen gaat hier – ons inziens – aan twee zaken voorbij. Ten eerste pleit ze voor een omgekeerde bewijslast: zo zou je voor elke ruimtelijke ingreep eerst moeten bewijzen dat er geen gezondheidseffecten optreden. Dat streven is an sich verdedigbaar, maar het is praktisch onuitvoerbaar. En ten tweede: je kunt de ruimtelijke ingreep niet los zien van het doel. Als je alleen kijkt naar gezondheid, dan werden er geen snelwegen meer gebouwd (vanwege geluid, fijnstof, etc.), zouden we geen auto meer rijden (vanwege de ongelukken) en zouden we niet meer mogen vliegen (vanwege o.a. uitstoot CO2 en geluidhinder). Toch doen we al die dingen, omdat we het resultaat zwaarden vinden wegen dan de risico’s. Om bij windenergie te blijven: het resultaat is de bijdrage aan de oplossing van het klimaatprobleem.

Tot slot concludeert van Manen dat er geen bewijs is dat windturbines directe gezondheidsproblemen of ziektes veroorzaken en stelt dat er meer onderzoek nodig is. Dit toont een nuance die de titel van haar artikel niet doet vermoeden (‘Windmolens maken wel degelijk ziek’). Hoewel dit wellicht onbedoeld is, zorgen dergelijke titels boven artikelen voor onterechte angst en afkeer voor windturbines.

Windturbines in wolken

Wetenschappelijk onderzoek windturbines en gezondheid

In de vorige paragraaf hebben we geprobeerd te laten zien dat onderzoeken naar de relatie tussen blootstelling aan windturbines en gezondheidsklachten soms verkeerd worden geïnterpreteerd of ongenuanceerd als bron worden gebruikt. Daarnaast voldoen een aantal onderzoeken niet aan de benodigde vereisten voor wetenschappelijk onderzoek. In deze paragraaf beschrijven we een aantal wetenschappelijke onderzoeken van erkende (inter)nationale gezondheidsinstituten en universiteiten.

Uit een studie van Health Canada (Michaud et al. 2016), de federale gezondheidsinstantie van Canada, blijkt dat geluid van windturbines geen directe negatieve effecten heeft op de gezondheid van omwonenden. Er zijn geen meetbare effecten op (chronische) ziekten, stress en slaap, zo luidt de conclusie. Vanaf 2012 zijn 1.238 volwassenen, woonachtig op verschillende woonafstanden van windturbines, voor langere tijd onderzocht. Voor het onderzoek werden zij meerdere keren lichamelijk onderzocht op bloeddruk, hartritme, slaap en stresshormonen. Ook moesten zij enquêtes invullen bestaande uit vragen over sociaal-demografische situaties, geluid en hinder, gezondheidseffecten, levensstijl en bestaande chronische ziektes. Tevens is tijdens het onderzoek 4.000 uur aan windenergiegeluid opgenomen om te kijken of er bij een hoger geluidniveau ook meer klachten zijn. Er werden in het onderzoek geen directe verbanden gevonden tussen blootstelling aan windturbinegeluid en klachten als migraine, diabetes, hoge bloeddruk en slapeloosheid.

Onderzoeken komen tot dezelfde conclusie: dat er geen rechtstreeks verband is tussen de aanwezigheid van windturbines en gezondheidseffecten op omwonenden.

In een tweetal onderzoeken zijn tussen 1982 en 2013 alle Deense huishoudens die werden blootgesteld aan windturbinegeluid geïdentificeerd (Poulsen et al. 2018a, 2018b). Deze huishoudens zijn onderzocht op het gebruik van antihypertensiva en ongunstige zwangerschapsuitkomsten. Antihypertensiva zijn medicijnen die worden gebruikt voor de behandeling van hoge bloeddruk. Structurele gebruikers van antihypertensiva binnen het kader van het onderzoek werden geïdentificeerd. In deze studie werd geen relatie gevonden tussen blootstelling aan windturbinegeluid en het gebruik van antihypertensiva. Verder zijn alle geboren baby’s van moeders in deze populatie onderzocht. Er werd in deze studie geen relatie gevonden tussen blootstelling aan windturbinegeluid en ongunstige zwangerschapsuitkomsten.

Studieboeken

Overige onderzoeken (zoals Ellenbogen et al. 2012, NHRMC 2015) komen tot dezelfde conclusie: dat er geen rechtstreeks verband is aangetoond tussen de aanwezigheid van windturbines en gezondheidseffecten op omwonenden. Bovendien is er geen verband gevonden tussen laagfrequent geluid van windturbines en gezondheidsklachten. Ook de Nederlandse gezondheidsinstellingen het RIVM en de GGD (Kamp 2014, Kamp & Berg 2017) bekrachtigen dit standpunt in literatuurstudies over dit onderwerp.

Indirecte effecten van windturbines op de gezondheid

Maar hebben windturbines dan helemaal geen effect op hun omgeving? Wat in studies (Kamp 2014, Michaud 2016, Kamp 2017) wel naar boven komt is dat er indirecte effecten kunnen optreden. Mensen die in de nabijheid bij windturbines wonen, kunnen hinder door geluid ondervinden. Slagschaduw, zichtbaarheid en knipperende lichten kunnen bijdragen aan de mate van hinder die wordt ondervonden. Het geluidniveau van windturbines is minder hoog dan van andere bronnen (verkeer e.d.), maar het karakter zorgt ervoor dat het windturbinegeluid bij lagere niveaus als hinderlijk wordt ervaren. Hinder kan zich uiten in irritatie, boosheid en onbehagen.

Bovendien kunnen economische aspecten van invloed zijn op het ervaren van hinder van windturbines. In een Zweeds onderzoek (Pedersen et al. 2007) werd geconcludeerd dat mensen met een economisch belang bij windturbines geen hinder ondervonden van het windturbinegeluid, ondanks het feit dat zij hetzelfde geluidniveau ondervonden als de andere respondenten, en bovendien dezelfde termen gebruikten om het geluid te karakteriseren. Tevens kunnen persoonlijke omstandigheden zoals gevoeligheid, privacy en het planningsproces van het windpark van invloed zijn op de hinder die wordt ervaren.

Conclusie

In deze blog hebben we gekeken naar een aantal (wetenschappelijke) onderzoeken naar de effecten van windturbine(geluid) op de gezondheid. In de meeste studies wordt geconcludeerd dat er geen rechtstreeks verband kan worden aangetoond tussen windturbinegeluid en gezondheidseffecten zoals hoge bloedruk, ongunstige zwangerschapsuitkomsten, slaapoverlast en ziektes. Er is ook geen direct wetenschappelijk bewijs gevonden voor een verband tussen laagfrequent geluid van windturbines en gezondheidseffecten. De enkele studies die wél bewijs voor zulke effecten vonden, blijken wetenschappelijk gezien veel kritiek te krijgen.

Wat wel blijkt uit het onderzoek is dat blootstelling aan windturbinegeluid hinder kan veroorzaken. Die hinder kan zich uiten in irritatie, boosheid en onbehagen. De mate van hinder die wordt ervaren is bovendien een combinatie van de feitelijke geluidbelasting, zichtbaarheid van de windturbine(s), persoonlijke omstandigheden en of er sprake is van direct economisch baten bij de windturbine.

Tot slot willen we de conclusie aanhalen van De Correspondent die in 2016 al eens een zinvolle blog over windturbines en gezondheid heeft gepubliceerd (Mommers, 2016) en die wij ondersteunen:

“…het [is] opvallend dat het ontstaan van de klachten door windmolengeluid vooral afhankelijk lijkt van iemands houding ten opzichte van de molens. Omdat veel omwonenden negatief tegenover windmolens staan, is het daarom wel zo eerlijk om deze klachten niet weg te redeneren: er bestaat wel degelijk een relatie tussen de bouw van de molens en klachten over slaap, stress en daarmee gezondheid.

Maar omdat de klachten niet direct veroorzaakt zijn door de windmolens zelf, kan deze relatie worden weggenomen door constructies te bedenken waarin bewoners zich meer met de windmolen verbonden voelen. Bijvoorbeeld door gedeeld eigenaarschap of het delen van financiële baten.”

Referenties

  1. Branco, NAA Castelo, and Mariana Alves-Pereira. “Vibroacoustic disease.” Noise and Health 6.23 (2004): 3.
  2. Chapman, S and Alexis B. St George, University of Wollongong and Sydney, How the factoid of wind turbines causing “vibroacoustic disease” came to be “irrefutably demonstrated’, 2013.
  3. Ellenbogen, Jeffrey M., et al. “Wind turbine health impact study: report of independent expert panel.” Prepared for Massachusetts Department of Environmental Protection and Massachusetts Department of Public Health (2012).
  4. Kamp, Irene van, et al. “Windturbines: Invloed Op De Beleving En Gezondheid Van Omwonenden.” Rijksinstituut Voor Volksgezondheid En Milieu, 21 januari 2014.
  5. Kamp, Irene van, and Frits van den Berg. “Health effects related to wind turbine sound, including low-frequency sound and infrasound.” Acoustics Australia (2017): 1-27.
  6. Ketan Joshi, The junk science of wind turbine syndrome, 2012.
  7. “NHMRC Statement: Evidence on Wind Farms and Human Health.” National Health and Medical Research Council, Feb. 2015, nhmrc.gov.au/sites/default/files/documents/reports/statement-wind-farms-human-health-eh57.pdf.
  8. Manen, Sylvia van. “Windmolens Maken Wel Degelijk Ziek.” Medisch Contact, 22 maart 2018, www.medischcontact.nl/nieuws/laatste-nieuws/artikel/windmolens-maken-wel-degelijk-ziek.htm.
  9. Michaud, David S., et al. “Exposure to wind turbine noise: Perceptual responses and reported health effects.” The Journal of the Acoustical Society of America 139.3 (2016): 1443-1454.
  10. Mommers, Jelmer. “Factcheck: ‘Windmolens Veroorzaken Gezondheidsschade Bij Omwonenden.’” De Correspondent, 6 mei 2016, https://decorrespondent.nl/4456/factcheck-windmolens-veroorzaken-gezondheidsschade-bij-omwonenden/492564577912-af74f3ad.
  11. Pierpont, Nina. “Wind turbine syndrome.” K-Selected Books (2009).
  12. Poulsen, Aslak Harbo, et al. “Long-term exposure to wind turbine noise and redemption of antihypertensive medication: A nationwide cohort study.” Environment international 121 (2018): 207-215.
  13. Poulsen, Aslak Harbo, et al. “Pregnancy exposure to wind turbine noise and adverse birth outcomes: a nationwide cohort study.” Environmental research 167 (2018): 770-775.
  14. Pedersen, Eja, and Kerstin Persson, Waye. “Wind turbine noise, annoyance and self-reported health and wellbeing in different living environments.” Occupational and environmental medicine (2007).
  15. The Oregonian editorial. There’s no evidence of health impacts from wind energy. November 26, 2010.
  16. World Health Organization. (2018). Environmental Noise Guidelines for the European Region. http://www.euro.who.int/__data/assets/pdf_file/0008/383921/noise-guidelines-eng.pdf

Deze blogpost werd geschreven door Joost Sissingh en Sergej van de Bilt.

Meer duurzame energie met minder kabels, kan dat?

Bij de ontwikkeling van een nieuw wind- of zonnepark is de aansluiting op het elektriciteitsnetwerk een belangrijk onderdeel van het project. De realisatie van een aansluiting is onder de “Netcode Elektriciteit” een verplichting voor de Nederlandse netbeheerder. Het klinkt simpel, maar doordat er veel nieuwe aansluitingen aangevraagd worden is het voor de netbeheerders geen makkelijke opgave. In de praktijk is momenteel te merken dat in sommige gebieden van Nederland een nieuwe aansluiting niet mogelijk is of erg lang op zich laat wachten.

Voor de projecten die hiermee te maken hebben is deze vertraging natuurlijk erg vervelend, maar dit daagt initiatiefnemers ook uit om slim na te denken over de aansluiting voor nieuwe duurzame energieprojecten.  In deze blog verkennen we wat er mogelijk is om je project aan te sluiten op het elektriciteitsnetwerk.

Aansluiting van meerdere installaties

Niet alleen de mogelijk lange wachttijd, maar ook de kosten van deze aansluiting van windturbines of een zonnepark op het elektriciteitsnetwerk zijn vaak een substantieel onderdeel van het project. Vooral in het geval van zonneparken is het aanleggen van lange kabels moeilijk te dragen door de businesscase. De kosten voor een aansluiting kunnen namelijk behoorlijk oplopen wanneer de afstand tot een regelstation groter wordt. Door gebruik te maken van een bestaande aansluiting of een nieuwe aansluiting te combineren (ook wel bekend als cable pooling) kunnen veel kosten bespaard worden. Ook kan het gecombineerd gebruiken van een aansluiting projecten mogelijk maken die anders flink worden vertraagd, of zelfs helemaal niet gerealiseerd kunnen worden.

Een goed voorbeeld is het combineren van wind- en zonne-energie, maar het combineren van andere technieken van productie en verbruik is natuurlijk ook mogelijk. Het gecombineerd gebruiken van de aansluiting kan een erg interessante optie zijn, doordat de technieken globaal gezien elkaar heel goed aanvullen. Hoe zit dat eigenlijk? De opbrengst van de zonnepanelen komt voornamelijk uit de zomermaanden,  maar de opbrengst van de windturbines vindt juist grotendeels in de wintermaanden plaats (zie afbeelding).

Energieopbrengst zon en wind per maandUiteindelijk komt het erop neer dat in circa 2 tot 3% van de tijd er tegelijk wind- en zonne-energie geproduceerd zal worden op het volledige vermogen. Hierdoor is het technisch gezien goed mogelijk om een zonnepark dichtbij een bestaande windturbine te plaatsen zonder dat de aansluiting moet worden vergroot. Bij een nieuwe aansluiting kunnen er kosten worden bespaard door de aansluiting te combineren.. In sommige gevallen zal een van de installaties beperkt moeten worden om te voorkomen dat de aansluiting overbelast wordt, maar dit kan ruimschoots gecompenseerd worden door de kostenbesparing op de netaansluiting. Daarnaast levert dit maatschappelijk gezien een meerwaarde op door een stabielere energievoorziening, een betere benutting van de beschikbare capaciteit en door minder hoge kosten als het gaat om het aanleggen van meerdere kabels en netverzwaring.

Het combineren van bijvoorbeeld wind- en zonne-energie op dezelfde aansluiting achter de elektriciteitsmeter kan nadat de elektriciteitsoutput van beide installaties op hetzelfde spanningsniveau gebracht zijn. Beide installaties krijgen een eigen brutoproductiemeter en met bijhorende EAN-code. Hierdoor worden in elk geval de Garanties van Oorsprong (GvO) en SDE+ subsidie per productie-installatie uitgekeerd en verrekend. Na de meter delen beide installaties dezelfde kabel richting het distributie- of transmissienet. Hoeveel vermogen er precies bij elkaar aangesloten kan worden is afhankelijk van de situatie.

Meerdere leveranciers op een aansluiting (MLOEA)

Technisch gezien kunnen meerdere functies (bijvoorbeeld zon en wind) dus prima gebruik maken van dezelfde aansluiting. Er moeten echter ook de nodige administratieve acties worden ondernomen, met name om goede PPA’s (stroomcontracten) af te kunnen sluiten.

Bij gecombineerd gebruik van een netaansluiting is namelijk de fysieke elektriciteit die door het net wordt opgenomen (of geleverd) een optelsom van productie-installaties. Dit maakt het correct verrekenen (en met name het voorspellen) van deze elektriciteit voor de leverancier erg lastig. Het is namelijk voor een leverancier op basis van de reguliere meetdata niet zichtbaar welke kWh afkomstig zijn van de windturbine en welke kWh van het zonnepark.

Op 24 maart 2018 is een Codebesluit in werking getreden die ‘Meerdere leveranciers op een aansluiting’ (MLOEA) mogelijk maakt door middel van zogeheten secundaire allocatiepunten. Dit houdt in feite in dat het administratief mogelijk is om voor verschillende installaties de bijbehorende elektriciteitsproductie apart aan een leverancier toe kunnen te wijzen én te contracteren. Deze allocatiepunten zijn in feite extra meetpunten die bij een netbeheerder aangevraagd kunnen worden.

“Technisch gezien kunnen zon en wind prima gebruik maken van dezelfde aansluiting.”

Hiermee kan niet alleen de windenergie apart van de zonne-energie worden afgerekend, al dan niet door dezelfde leverancier, maar kunnen bijvoorbeeld ook een verbruiker en een producent die gebruik maken van dezelfde aansluiting van elkaar gescheiden worden. Dit maakt het mogelijk om bestaande aansluitingen van bijvoorbeeld grote verbruikers te benutten om met een eigen PPA duurzame energie terug te leveren. Voor de gebruikers van de aansluiting kan dit resulteren in een gunstigere PPA.

Heeft u vragen over het gecombineerd gebruiken van een nieuwe of bestaande aansluiting? Of bent u benieuwd of een gecombineerde aansluiting voor uw project interessant is en welke (contractuele) zaken hier bij komen kijken? Neem dan contact op Jorden Hoogeveen of Steven Geujen, wij helpen u graag verder.

Een goede PPA, hoe regel ik dat?

De SDE+ regeling wordt door de Nederlandse overheid ingezet om de onrendabele top van duurzame energiebronnen t.o.v. fossiele energie te compenseren en hiermee een toename in de opwekking van duurzame energie te stimuleren. Het mechanisme van de SDE+ heeft als doel om zoveel mogelijk duurzame energieproductie binnen het beschikbare budget te kunnen realiseren. Met het dalen van de kostprijzen voor duurzame energietechnologieën, daalt het bijbehorende basisbedrag in de SDE+ regeling dus ook jaarlijks mee.
Voor exploitanten en initiatiefnemers betekent dit automatisch een lagere bijdrage van de RVO en hiermee worden de inkomsten uit de zogeheten PPA steeds belangrijker in de businesscase van nieuwe projecten. In deze blog wordt beschreven met welke zaken rekening gehouden dient te worden om tot een zo goed mogelijke PPA te komen.

Een PPA (kort voor ‘Power Purchase Agreement’) is een veelgebruikte term voor een stroomcontract voor de teruglevering. Alle voorwaarden omtrent de verkoop van de geproduceerde groene elektriciteit aan de energieleverancier worden middels dit contract geregeld.

Begin op tijd met de uitvraag of tender

Het duurzame energieproject is inmiddels al aardig gevorderd: het vergunningentraject is succesvol doorlopen, de SDE beschikking is binnen en het project gaat richting financial close (of heeft deze al bereikt). Vanaf dan is het ook belangrijk om voldoende aandacht te besteden aan de PPA voor de verkoop van de te produceren elektriciteit en GvO’s. Het uitzetten van een uitvraagprocedure of tender kan de kansen op een zo goed mogelijke PPA vergroten, er is immers concurrentie in de markt en het biedt een goede onderhandelingspositie. Het kan echter de nodige tijd in beslag nemen, dus een heldere planning vooraf is om een aantal redenen van belang.
In de eerste plaats, voordat de netbeheerder een productie-installatie kan aansluiten op het net, dient de aansluiting aangemeld te zijn door een leverancier (inhuizing). Dit kan pas als er een getekende PPA ligt. Ten tweede kan het bij grote projecten met grote financiële belangen soms enige tijd duren voordat alle voorwaarden volledig zijn uitonderhandeld en een definitieve PPA is opgesteld. Het kan voorkomen dat de bank of financier ook graag de mogelijkheid wil hebben om deze door te lichten of hier bepaalde eisen aan te stellen. Loopt het project om wat voor reden tóch vertraging op, waardoor het afsluiten van een PPA nog niet noodzakelijk lijkt? Spreek in dat geval met de uitgevraagde leverancier(s) een houdbaarheid van de ontvangen biedingen af. Dan kunnen de onderhandelingen op een later moment gewoon weer hervat worden.

Stem de PPA uitvraag of tender af op doel(groep) en eigen wensen

Is het plan om een PPA uitvraag te doen waarin zoveel mogelijk marktpartijen meegenomen worden? Zorg dan voor een termsheet waarop alleen de belangrijkste elementen uit de overeenkomst worden uitgevraagd, op basis waarvan een shortlist bepaald kan worden. Vaak kan aan de reactie van de leveranciers op de kernaspecten al afgeleid worden of de partij een serieuze gooi wil doen naar het project of simpelweg de tender gebruikt om een bepaalde propositie te toetsen. Mocht er al de voorkeur zijn voor een select groepje leveranciers, kan er prima een uitgebreidere uitvraag gedaan worden om vervolgens slechts een of twee gelukkige winnaars te selecteren.
Naast detailniveau is de wijze hoe de term sheet van tevoren ingekleurd wordt bepalend voor het selectieproces. Is bijvoorbeeld een optie voor Endex-handel in de PPA een harde eis, dan zullen de leveranciers die alleen op APX (willen) handelen al afhaken. Bekijk goed wat voor het project echte randvoorwaarden zijn en welke zaken onderhandelbaar zijn. Belangrijk hierbij is om in de procedure alle aspecten al (bindend) uit te vragen die na de definitieve selectie nog mogelijk ‘dealbreakers’ kunnen worden. Zo kunnen er bijvoorbeeld later nog prima afspraken gemaakt worden over hoe stilstand gemeld moet worden, maar is het niet handig om na de definitieve gunning nog een discussie te hebben over welke partij het onbalansrisico gaat dragen.

De ‘hoogste vergoeding’ hoeft niet altijd de beste te zijn

Inmiddels zijn alle biedingen van de uitgevraagde leveranciers voor de (toekomstige) stroomproductie ontvangen. Het is duidelijk dat er net zoveel verschillende werkwijzen bestaan als dat er leveranciers zijn. In de meeste gevallen wordt er geen tarief of stroomprijs genoemd, maar beschrijft de aanbieding een werkwijze/handelswijze. Het beoordelen van deze contracten met de vraag “Wat bied je voor mijn stroom?” kan minder relevant zijn dan het beoordelen op wijze van: verhandelen, verrekenen, vergoeden en verhouding van de werkwijze tot de SDE subsidie. De hoogte van de voorgespiegelde kWh-prijs is dan ook niet het enige waarop gelet moet worden, maar beoordeel hoe alle aspecten van de werkwijze binnen de businesscase passen. Een aanvankelijk hoge prijs kan nog zo aantrekkelijk zijn, maar wanneer de leverancier pas laat wil betalen, de koppeling met het SDE correctiebedrag ontbreekt of de algemene voorwaarden ongunstig zijn, kunnen er risico’s het project binnensluipen waar de exploitant (en de bank) niet op zit te wachten.

GvO’s: van een leuk extraatje naar essentiële inkomstenbron

Aan alle duurzame energieproducenten in Nederland kunnen GvO’s (kort voor Garanties van Oorsprong) worden toegewezen, als bewijsmiddel om de herkomst van de duurzaam geproduceerde energie aan te kunnen tonen. Deze zijn vrij verhandelbaar tot een jaar na productie.
In tegenstelling tot enkele jaren geleden, toen leveranciers en handelaren ze nog voor een schijntje inkochten (Noorse waterkracht is er namelijk in overvloed), zijn GvO’s uit zon en wind van Hollandsche bodem nu goud geld waard. Het energie-inkoopbeleid van de overheid en enkele multinationals is namelijk verschoven naar louter elektriciteit uit aantoonbare Nederlandse wind of zon en tegelijkertijd zijn een aantal groene consumentenleveranciers opgestaan die zich profileren als de allergroenste door ‘sjoemelstroom’ in de ban te doen. Simpelweg de verhoogde vraag en de matige beschikbaarheid van deze GvO’s doen de prijs de laatste jaren flink oplopen. De waarde van de GvO’s vertegenwoordigt nu dus een flink stuk van de PPA opbrengsten. Een belangrijke noot hierbij is dat wettelijk gezien de waarde van de GvO wel degelijk door de RVO wordt meengenomen in het SDE-correctiebedrag , maar dat deze tot op heden nog op €0,- staat. Het is daarom raadzaam om hierover goede afspraken in de PPA te maken. Sterker nog, de meeste leveranciers nemen tegenwoordig alleen nog de stroom af in combinatie mét de GvO’s.

Voorkom grijs gebied

Uiteindelijk is er een keuze gemaakt voor een leverancier die de beste commerciële voorwaarden biedt en waarmee verwacht wordt redelijk soepel de rest van de PPA te kunnen uitwerken (zoals algemene voorwaarden/directe overeenkomst/opzegtermijn/etc.). Dit is echter nog niet het eindpunt van de onderhandelingen. Het kan namelijk zijn dat een bepaling in de concept overeenkomst nog niet ondubbelzinnig geformuleerd is of dat er toch een regeltje in de algemene voorwaarden staat waar nog geen prettig gevoel bij is. Zorg er dan in elk geval voor dat er geen zaken in de getekende overeenkomst terugkomen, waar later nog discussies over kunnen ontstaan. Grootzakelijke aansluitingen genieten namelijk veel minder wettelijke (contractuele) bescherming dan consumenten. Een kleine investering in deze fase levert dus de gehele looptijd van de PPA voordeel op.

Heeft u vragen over PPA’s of Garanties van Oorsprong, of zoekt u begeleiding bij uw zoektocht naar een geschikte PPA voor uw duurzame energieproject? Wij helpen u graag verder.

[1] Artikel 14, lid 1b uit het Besluit stimulering duurzame energieproductie

De aarde snakt naar verkoeling, de boeren naar water en ik naar handelen!

We breken (warmte en droogte) record na record. De klimaatverandering is nu toch wel voor iedereen merkbaar. De aarde is nog nooit zo warm geweest. De brandweer rukt steeds vaker uit voor (natuur)branden en met name ouderen hebben het zwaar. Thuis, op onze boerderij, merken we ook de gevolgen van de extreem lange droge perioden. Ons grasland is nagenoeg dood, de waterputten staan droog, de koeien staan in de zomer op stal en krijgen nu al het voer dat voor de winter was bedoeld – en ondertussen groeit er geen grassprietje meer bij. Het beetje water dat zo nu en dan in Twente valt is de spreekwoordelijke druppel op de gloeiende aarde. We snakken naar water maar vrezen vervolgens voor de gevolgen van een ander extreem weertype: hoosbuien, hevige onweersbuien en zware stormen.

Er is actie nodig

Het opwarmen van de aarde is al best een tijd geleden voorspeld. We delen als maatschappij zorgen en maken internationale, nationale, regionale en lokale afspraken. We praten veel, maar lijken zo weinig te doen.

Ik houd niet van klagen en wil verantwoordelijkheid nemen. Ik ben ervan overtuigd dat we met z’n allen echt aan de slag moeten met het stoppen van de klimaatverandering. Zelf ben ik hier samen met mijn gezin al jaren bewust mee bezig. Ons huis en ons bedrijf zijn van het gas af en we wekken alle benodigde stroom zelf op (zon). Maar we willen nog een stap verder gaan!

“We praten veel, maar lijken zo weinig te doen.”

Sinds een jaar zijn mijn man en ik (samen met een energiecoöperatie en een energiebedrijf) met onze omgeving in gesprek om te onderzoeken of windmolens in onze omgeving mogelijk zijn. Een (hoge) buurtmolen, een streekproduct, schone energie. Het is een interessant proces. Velen voelen de noodzaak en vinden het zinvol om het te onderzoeken. Maar het is ook zo dat niet iedereen het een goed plan vindt. We blijven ons best doen om samen stapje voor stapje te onderzoeken of windmolens op de door ons beoogde plekken kunnen en hoe we dit zo goed mogelijk en zoveel mogelijke geaccepteerd krijgen in onze omgeving. Stapje voor stapje omdat het niet anders kan, en dat terwijl de aarde snakt naar verkoeling.

De energietransitie

Windmolens dragen substantieel bij aan de lokale ambities die alle gemeenten zo dapper uitspreken. De ene gemeente wil nog sneller energieneutraal zijn dan de andere. Ze zeggen daarbij ook vaak hetzelfde: vergeet vooral de energiedialoog niet, laat de omgeving mee profiteren, maak er geen politiek issue van, betrek iedereen, laat het vanuit de samenleving komen en doe het stapje voor stapje.

Maar let wel: voor het slagen van de energietransitie heeft de (lokale) overheid naar mijn mening ook een belangrijke plicht: vertel over de maatschappelijke en financiële gevolgen van de klimaatverandering, draag uit waarom zonnedaken, zonnevelden, windmolens en mestvergisters ook in de eigen omgeving welkom moeten zijn. Ondersteun daarnaast initiatieven, omarm partijen met lef en drive, beweeg, ga mee op onderzoek en bovenal: durf te staan voor verandering, maak ambities waar en neem (politieke) verantwoordelijkheid.

Na jaren bij de overheid te hebben gewerkt, ben ik op zoek gegaan naar een baan waarbij ik mijn kennis en ervaring kan inzetten nog actiever kan inzetten bij de noodzakelijke versnelling van het inrichten van een zoveel mogelijk fossielvrije maatschappij. Ik kan wel zeggen dat deze zoektocht is geslaagd. Ik ben sinds 1 juli aan de slag bij Pondera Consult. Een heerlijk dynamisch bedrijf op zoek naar een zorgvuldig evenwicht tussen energiebehoeften en effecten op milieu en omgeving. Dat past helemaal bij mij. Ik krijg hier in elk geval energie van. Zoals al gezegd, ik snak naar handelen!

De energietransitie: een mondiale opgave die vraagt om een lokale energievisie [BLOG]

Klimaatverandering staat sinds enige jaren hoog op de wereldwijde politieke agenda. Om klimaatverandering tegen te gaan zijn bij internationale bijeenkomsten als de klimaattop van eind 2015 in Parijs mondiale afspraken gemaakt. Deze afspraken moeten er voor zorgen dat de globale temperatuurstijging onder een limiet van 2 °C blijft ten opzichte van het niveau van 1990. Aan deze afspraken zijn ambitieuze doelstellingen verbonden op het gebied van duurzame energieproductie. Naast de klimaatverandering vraagt ook het opraken van fossiele brandstoffen om een verandering in de wijze van opwek en gebruik van energie. Deze ‘energietransitie’ vraagt om een verandering in het energielandschap en in de manier waarop iedereen energie gebruikt. De in 2015 afgesproken landelijke doelstellingen hebben hun doorwerking op regionale overheden zoals provincies en gemeenten. In provinciale- en gemeentelijke beleidsstukken wordt op eigen initiatief veelvoudig het streven naar energieneutraliteit benoemd. Hier is doorgaans door betreffende lokale overheid ook een jaartal aan gekoppeld. Om dit te bereiken hebben gemeenten doelstellingen opgesteld die erop toezien dat het aandeel duurzaam geproduceerde energie toeneemt.

Het behalen van klimaat- en energiedoelstellingen is niet alleen een kwestie van het realiseren van duurzame energiebronnen zoals windturbines en zonnepanelen. Het vraagt een maatschappelijke en technische verandering van de manier waarop gebruik wordt gemaakt van energie. Hierbij kan naast duurzame opwekking gedacht worden aan energiebesparing, het gebruik van restwarmte uit fabrieken om huizen te verwarmen en het opslaan van energie op momenten dat er een overproductie is van bijvoorbeeld zonne-energie.

Ondanks het feit dat het verduurzamen van de elektriciteitsproductie maar een deel is van de invulling van energieneutraliteit, is voor duurzame energiebronnen, en met name de manier waarop deze een plek moeten krijgen in een gemeente, veel ruimte gereserveerd in beleidsstukken. Is dat vreemd? Eigenlijk niet, als je je hier een reële voorstelling bij maakt. In tegenstelling tot zaken als maatschappelijke bewustwording, energiebesparing en elektrische warmtepompen, hebben duurzame elektriciteitsbronnen als wind- en zonne-energie een grote ruimtelijke weerslag. Deze effecten laten zich vooral op lokaal niveau zien. Het is dus niet zo gek dat hier in beleidsstukken veel aandacht aan wordt besteed.

Windturbines en zonneparken hebben, in tegenstelling tot fossiele brandstoffen en traditionele energiecentrales, een significante impact op de fysieke leefomgeving op lokaal niveau. Ook hebben deze duurzame energiebronnen relatief meer inpassingsruimte nodig dan energiebronnen op basis van fossiele brandstoffen. De zichtbaarheid en ruimtevraag van windturbines en zonneparken maken de inpassing van deze duurzame energiebronnen tot een complex planologisch vraagstuk. Een vraagstuk waarvoor een centrale rol is weggelegd voor lokale overheden.

Een deel van de doelen zijn te behalen door daken te bedekken met zonnepanelen, maar om daadwerkelijk doelstellingen te behalen dienen ook de mogelijkheden voor grootschalige duurzame energieopwekking in het buitengebied verkend te worden. Weliswaar kan ook biomassa en wellicht geothermie een rol spelen, vooral bij het opwekken van duurzame warmte, echter de ontwikkeling van deze energiebronnen is voor gemeenten veel minder beïnvloedbaar. Aanleg van geothermieputten, stadsverwarmingsnetten, de bouw van vergistingsinstallaties of het genereren van substantiële biomassastromen gaat de (financiële)  mogelijkheden van gemeenten veelal te boven. Op dit moment zijn vooral zonne-energie en windenergie de technieken die een substantiële bijdrage kunnen leveren aan de doelstellingen van een gemeente of provincie. Maar op welke van deze twee wordt ingezet? Of is en een combinatie van beide technieken gewenst binnen een gemeente? Welk gebied is geschikt voor windturbines en welke gebieden lenen zich juist meer voor zonneparken? Dit zijn vragen die in een energievisie moeten worden beantwoord aan de hand van energieopbrengst, milieueffecten en de ruimtelijke impact van de energiebronnen op de omgeving. Het rendement van windturbines is hoger dan zonneparken. Een moderne windturbine staat gelijk aan bijna 10 hectare aan zonnepanelen. Zonneparken kennen dus een groter ruimtebeslag. Hier staat tegenover dat windturbines meer milieueffecten hebben. Denk hierbij aan de effecten geluid en slagschaduw.

Met technieken als GIS en andere visuele instrumenten zijn de middelen voorhanden om deze belangenafweging op lokaal niveau te doen. Uiteraard kunnen partijen ook gewoon rondom een papieren kaart gaan staan en met maquettes en vilstift verkennen welke gebieden binnen de gemeente geschikt zijn voor welke vorm van grootschalige duurzame energieopwekking. Dit zal resulteren in interactieve sessies met stakeholders die input leveren voor een gemeentelijke energievisie.

Dankzij de structurele financiële stimulering van de rijksoverheid (subsidie duurzame energieproductie, SDE(+)), en het steeds goedkoper worden van zonnepanelen en windturbines. neemt het aantal initiatieven in de wind- en zonne-energie toe. Gemeenten worden de laatste jaren overspoeld met verzoeken om planologische medewerking bij de realisatie van zonneparken. Deze grondgebonden zonneparken kunnen kleinschalig zijn (enkele voetbalvelden), maar ook parken ter grootte van circuitpark Zandvoort (honderden voetbalvelden) zijn geen uitzondering. Gemeenten merken dat, om initiatieven duidelijk en consequent te kunnen behandelen, nieuw ruimtelijk beleid nodig is. Ook is het voor de gemeenten belangrijk om te weten hoeveel zonneparken en windturbines er nodig zijn in hun gemeente om vastgestelde doelstellingen te kunnen behalen. Door beleid op te stellen in de vorm van een energievisie ontstaat voor zowel de gemeente als voor initiatiefnemers duidelijkheid over de mogelijkheden voor en invulling van grootschalige duurzame energieprojecten in een gemeente. Met deze reden zijn veel gemeenten op dit moment bezig met het vaststellen van een energievisie of energieverkenning, om uiteindelijk de energietransitie in goede banen te leiden.

De opkomst van de energievisie op lokaal bestuurlijk niveau zie ik als positieve ontwikkeling in de energietransitie. Hiermee nemen gemeenten de regie in handen en zorgen ze ervoor dat de energietransitie ze niet overvalt, maar op de juiste manier wordt vertaald naar concrete projecten die binnen een gemeente passen. Met de regie in handen nemen bedoel ik dan niet enkel het zetten van een stip aan de horizon, maar ook samen met inwoners en belangengroepen het verhaal en de weg daar naartoe bepalen. Hierbij is het van belang inwoners de urgentie van de energietransitie duidelijk te maken. Vervolgens kunnen doelstellingen op het gebied van duurzame energie worden gekoppeld aan manieren van duurzame opwekking die binnen de gemeentegrenzen mogelijk zijn. Wanneer inwoners op deze manier worden betrokken bij het opstellen van ruimtelijk beleid voor duurzame energie, wordt de publieke opinie over duurzame energieprojecten als wind en zon positiever. Het verhaal is dan niet meer dat een ontwikkelaar ‘van buiten’ een duurzaam wind- of zonne-energie project wil realiseren. Een wind- of zonnepark is dan een project dat past binnen het verhaal (visie) van een gemeente waarmee wordt gezorgd dat gezamenlijk vastgestelde doelen worden behaald.

Uiteindelijk zal in de komende jaren een duurzame ‘energiemix’ ontstaan. Een energielandschap waar verschillende vormen van grootschalige en kleinschalige duurzame energieproductie worden gecombineerd, om aan de energievraag te voldoen. Deze energiemix zal er per gemeente anders uitzien, afhankelijk van gebiedspecifieke kenmerken die zijn verstaald naar sturende energievisies.

Uiteraard zijn er verschillende manieren om invulling te geven aan een gemeentelijke energievisie. Naast gebieden aanwijzen voor duurzame energiebronnen kan in een energievisie bijvoorbeeld ook staan hoe een gemeente wil inzetten op energiebesparing. Als Pondera Consult hebben wij de ambitie lokale overheden te helpen bij het opstellen van ruimtelijk beleid op het gebied van duurzame energie. Vragen naar aanleiding van deze blog over ruimtelijk beleid voor duurzame energie zijn uiteraard van harte welkom.

Onontdekte windenergie landen met veelbelovend potentieel

Er is online veel informatie beschikbaar over landen met het meest geïnstalleerde vermogen aan windenergie en hoe dit vermogen aan windenergie elk jaar groeit. Denk aan landen zoals China, de VS, Duitsland, India of Spanje. Deze informatie is publiek toegankelijk en in grote mate voorhanden. Wat ik veel interessanter vind is om te weten welke landen een groot potentieel aan windenergie hebben én weinig geïnstalleerd vermogen. Zijn het niet deze landen waar de windenergie sector haar aandacht op moet richten voor het ontwikkelen van windenergieprojecten? In deze blog kijken we naar dergelijke landen die zeer geschikt kunnen zijn voor windenergie, vooral als het gaat om windsnelheid en vermogensdichtheid. Dit is geen top 5 lijst maar eerder een selectie van landen die mogelijk over het hoofd worden gezien door investeerders en ontwikkelaars.

Wind Atlas

Een deel van de informatie over windsnelheden en vermogensdichtheid is verzameld met behulp van Global Wind Atlas. De nieuwe versie van de Global Wind Atlas is recentelijk beschikbaar gesteld door de World Bank in samenwerking met de Technische Universiteit van Denemarken (DTU). Dit is een indrukwekkende wind atlas, gebaseerd op een windklimaat met een detailniveau van 1 km. De gratis beschikbare GIS tool is in november gelanceerd tijdens de Wind Europe Conference in Amsterdam.

Oman

onontdekte windenergie OmanDat Oman op mijn lijstje voorkomt is waarschijnlijk het gevolg van vooringenomenheid; ik heb dit mooie land namelijk altijd al willen bezoeken. Het land heeft een geschatte vermogensdichtheid van 684 W/m² en een gemiddelde windsnelheid van 8.3 m/s op een hoogte van 100m in de 10% meest windrijke gebieden in dit land. Dit is ongeveer vergelijkbaar met de meest windrijke gebieden van enkele Noord-Europese landen. Ter vergelijking: Nederland heeft een vermogensdichtheid van 518 W/m² en een gemiddelde windsnelheid van 7.7 m/s op een hoogte van 100m in de 10% meest windrijke gebieden. Het windaanbod in Oman is opmerkelijk hoog in het zuidelijke gouvernement Dhofar met haar hoofdstad Salalah. Ook in het Al Wusta gouvernement is het aanbod opmerkelijk hoog. Op dit moment is er nog geen windenergie gerealiseerd in Oman, maar er zijn wel plannen voor een 50 MW windpark dat Masdar wil realiseren samen met GE en TSK.

Somalië

onontdekte windenergie SomaliëSomalië wordt normaal niet geassocieerd met windenergie of een andere vorm van duurzame energie. Somalië is voornamelijk in het nieuws vanwege de burgeroorlogen, piraterij en economische instabiliteit. Echter weten weinig mensen dat Somalië een van de landen is met het grootste potentieel aan wind- en zonne-energie ter wereld. De stad Garowe in Puntland wordt sinds 2016 voorzien van stroom door een 3.5 MW hybride wind- en zonne-energie installatie. Het vermogen van deze installatie is recentelijk gestegen naar 5.9 MW om 50.000 inwoners te voorzien van meer dan 90% van hun elektriciteitsbehoeften. De vermogensdichtheid van Somalië is geschat op 849 W/m² met een windsnelheid van 9.0 m/s op 100m hoogte in de 10% meest windrijke gebieden. Deze cijfers liggen dichtbij de geschatte gemiddelden van het Verenigd Koninkrijk met een vermogensdichtheid van 928 W/m² en een windsnelheid van 9.4 m/s.

Rusland

Met haar 17 miljoen vierkante meter en 38.000 km lange kustlijn, heeft Rusland het grootste potentieel voor windenergie wat betreft de windopbrengst op deze lijst. Ondanks het grote potentieel, heeft het land slechts een geïnstalleerd vermogen van 11 tot 15 MW aan windenergie. Het technisch haalbare potentieel aan windenergie is geschat op 6 TWh/j. Rusland heeft verder een geschatte vermogensdichtheid van 721 W/m² met een gemiddelde windsnelheid van 8,4 m/s op 100m in de 10% meest windrijke gebieden. Om dit potentieel volledig te benutten zijn grote investeringen nodig en kunnen ontwikkelingsstappen worden gemaakt van meerdere Gigawatt aan geïnstalleerd vermogen per keer. Aannemelijk is dat hier een rol voor de federale overheid weggelegd. Recentelijk hebben Lagerwey en OTEK (RosAtom) overeenkomsten getekend om de Nederlandse windturbinetechnologie aan OTEK te verlenen.

onontdekte windenergie Rusland

IJsland

Dit land is een van de uitzonderingen op de lijst. De elektriciteitsvoorziening van het land bestaat voor 100% uit duurzaam opgewekte energie. Eigenlijk heeft dit land dus helemaal geen windenergie nodig om aan haar elektriciteitsbehoefte te voldoen. Dit is ironisch te noemen, aangezien de windsnelheid van IJsland wordt geschat op 11 m/s op 100m in de 10% meest windrijke gebieden. Ook kent het land een gemiddelde overeenkomstige vermogensdichtheid van 1942 W/m². Het land kent vier gebouwde windturbines, met een gezamenlijk geïnstalleerd vermogen van 3 MW. Deze windturbines dienen hoofdzakelijk voor het testen van turbines in extreme omstandigheden. Een van de redenen waarom IJsland windenergie zou kunnen overwegen, zou zijn om energie te verhandelen in het geval dat een toekomstige interconnector het land met het Verenigd Koninkrijk verbindt. Een andere reden om windenergie te overwegen is in het geval van een toekomstige verhoging van de genivelleerde kosten van energie (LCOE) voor geothermische en hydro-elektrische stroomvoorziening waar het land nu op draait.

onontdekt windenergie land IJsland

Kazachstan

Kazachstan wil haar hernieuwbare energievoorziening vergroten vanwege de groeiende economie en investeringen. Het grootste potentieel aan windenergie is te vinden nabij de Kaspische Zee, inclusief andere gebieden in het centrale en noordelijke deel van het land. Het uitgestrekte open steppe landschap geeft Kazachstan een aantal uitzonderlijke gebieden om windenergie te exploiteren. Het land heeft een geschatte windsnelheid van 8 m/s op 100m hoogte en een vermogensdichtheid van 583 W/m² in de 10% meest windrijke gebieden van het land. Op het gebied van windenergie zijn er ontwikkelingen gaande met Vestas, die onlangs een order voor windturbines heeft ontvangen van CAPEC Green Energy.

onontdekte windenergie Kazachstan

Werelds potentieel

Alle genoemde landen hebben minder dan 100 MW geïnstalleerd vermogen aan windenergie ten tijde van schrijven. Bij sommige landen kan daar binnenkort verandering in komen, lettende op de genoemde samenwerkingen van lokale partijen met windturbinefabrikanten in de verschillende landen. Verder zijn er landen die niet in de lijst staan maar zeker ook noemenswaardig zijn als potentieel windenergie land zoals Vietnam, Chad, Venezuela of Mongolië. Andere landen hebben ook delen die zeer windrijk zijn zoals het westen van Afghanistan, het oosten van Azerbaijan of in het noorden van Kenya of Colombia. Behalve windsnelheden en vermogensdichtheid zijn er natuurlijk veel andere factoren van belang om in bepaalde landen windenergie te realiseren. Maar dit is stof voor een andere blog.