Vormvrije m.e.r.-beoordeling, (g)een reden tot paniek? (blog)

De term ‘vormvrije m.e.r.-beoordeling’ gonst door de gangen van menig adviesbureau, gemeenten, en omgevingsdiensten. Maar wat is er eigenlijk aan de hand?

Wat is een vormvrije m.e.r. procedure?

Voor elk besluit of plan dat betrekking heeft op activiteit(en) die voorkomen op de D-lijst die onder drempelwaarden vallen, moet een toets worden uitgevoerd of belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen worden uitgesloten. Voor deze toets wordt de term vormvrije m.e.r. beoordeling gehanteerd.

Stappen vormvrije m.e.r.-beoordeling:

  • De initiatiefnemer stelt een aanmeldingsnotitie op (en dient deze in);
  • Het bevoegd gezag neemt binnen zes weken een m.e.r.-beoordelingsbesluit. Dit hoeft niet in de Staatscourant te worden gepubliceerd;
  • De initiatiefnemer voegt het (vormvrije) m.e.r.-beoordelingsbesluit bij de vergunningaanvraag, indien belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu inderdaad zijn uitgesloten.

Wat is er aan de hand?

Op 16 mei 2017 is de Implementatiewet herziening m.e.r.-richtlijn in werking getreden. Uit het gewijzigde Besluit m.e.r. volgt dat een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig is als:

Dit betekent dat voor alle activiteiten op de D-lijst van het Besluit m.e.r. een vormvrije m.e.r.-beoordeling van toepassing kan zijn. Denk daarbij niet alleen om de hoofdactiviteit, zoals de realisatie van een windpark (categorie D22.2), maar ook aan gerelateerde activiteiten zoals bemaling in de aanlegfase (categorie D15.2) en de aanleg van een ondergrondse hoogspanningsverbinding (D24.2). Vervolgens moet het bevoegd gezag besluiten of een milieueffectrapport moet worden opgesteld. Dit besluit (vormvrije m.e.r.-beoordelingsbesluit) is een extra procedurestap en kost dus tijd in de planning van projecten.

Niet op de D-lijst, toch een vormvrije m.e.r.-beoordeling?

Staat de activiteit niet op de D-lijst, dan is er in principe geen vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig. Wij raden aan om dit ook altijd op voorhand met het bevoegd gezag te bespreken om tegenvallers en/of vertraging in procedures te voorkomen. Want het lijkt duidelijk omschreven wanneer er wel of geen vormvrije m.e.r. –beoordeling nodig is, maar de praktijk blijkt weerbarstig.

Vraagt het bevoegd gezag om een vormvrije m.e.r.-beoordeling terwijl dit misschien niet per se nodig is? Ons advies: voorkom vertraging en stel een aanmeldingsnotitie op, dan kan de discussie over de inhoud gaan in plaats over de procedure.

Zonnepark, niet op de D-lijst toch vormvrije m.e.r.-beoordeling?

Zonneparken staan niet op de D-lijst en vallen volgens Kenniscentrum Informil ook niet onder andere categorieën op de D-lijst van het Besluit m.e.r. Daarop concludeerden wij dat er voor een vergunningaanvraag voor een zonnepark geen vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig is. Maar het betreffende bevoegd gezag zag dit anders en vat de activiteit zonnepark onder een ‘landinrichtingsproject’. Deze activiteit komt wél voor op de D-lijst (categorie D9) en is er dus wel een vormvrije m.e.r.-beoordeling nodig. Door het ontbreken van het vormvrije m.e.r.-besluit werd de vergunningaanvraag voor een zonnepark niet in behandeling genomen. Dit was gelukkig snel gerepareerd door alsnog een aanmeldingsnotitie in te dienen, waarop ook snel een besluit van het bevoegd gezag volgde (nl. dat er geen milieueffectrapport nodig is) en kon de aanvraag alsnog mét het besluit worden ingediend.

Geen overgangsrecht!

Let op, voor de vormvrije m.e.r.-beoordeling geldt geen overgangsrecht. voor vergunningaanvragen ingediend ná 16 mei 2017 gelden dus de nieuwe regels. Dus voor vergunningaanvragen voor activiteiten waarvoor geen vormvrije m.e.r.-beoordeling aan de orde is, is mogelijk alsnog een vormvrije m.e.r.-beoordeling en het besluit van het bevoegd gezag nodig.

Heeft u vragen over een specifiek project, of wordt u geconfronteerd met de vormvrije m.e.r.-beoordeling? Wij helpen u graag verder.

 

Slagschaduw [blog]

In de vorige blogpost over het onderwerp slagschaduw hebben wij de wettelijke norm voor slagschaduwhinder uitgelegd en hebben wij het gehad over de toetsing van windparken aan zes uur per jaar maximale slagschaduwduur. Deze berekeningen worden op een kaart weergegeven in slagschaduwcontouren. Maar wat betekent een slagschaduwcontour nu eigenlijk voor omwonenden en hoe kan deze ‘kaart’ gelezen worden zodat er zo veel mogelijk informatie uit wordt gehaald?

Als adviseurs merken wij vaak dat er veel onduidelijkheid is over de maximaal optredende effecten van de slagschaduw en ook over de momenten waarop slagschaduw kan optreden. Aan de hand van de positie van een woning ten opzichte van de windturbine is echter al heel veel te zeggen over de hoeveelheid optredende slagschaduw, het tijdstip en het seizoen waarop dit kan plaatsvinden. Het is belangrijk te proberen deze ingewikkelde informatie zo goed mogelijk uit te leggen. Voor zowel professionals als belanghebbenden is namelijk het vaak moeilijk om de mogelijke effecten van slagschaduw en slagschaduwcontourlijnen juist te interpreteren.

Uitleg contouren

De contourenkaart is de meest gebruikte manier om informatie te geven over de locaties waar slagschaduw optreedt en de verwachte hoeveelheid per jaar.

contourenkaart slagschaduw

Bovenstaand is een voorbeeld van een normale slagschaduwcontour in Nederland. In dit figuur geven de lijnen de zones aan waarbinnen een bepaalde gemiddelde jaarlijkse duur aan hinderlijke slagschaduw te verwachten is. In dit geval geeft de rode lijn de interpretatie van de wettelijke norm aan die veelal wordt bepaald op een maximum van 6 uur hinderlijke slagschaduwduur per woning voor een gemiddeld jaar.

Uit deze contourenkaart is echter ook veel informatie te verkrijgen over zowel het seizoen als over de tijdsperiode per dag waarin slagschaduw kan optreden. Door dit visueel te maken kan al snel inzicht worden gegeven in de momenten waarop slagschaduwhinder kan worden verwacht.

In welk seizoen treedt slagschaduw op?

In deze kaarten is per seizoen te zien waar de slagschaduw tijdens elk seizoen aanwezig kan zijn. Deze vier seizoenskaarten samen vormen de jaarlijkse slagschaduwcontour. Hieraan is dus te zien dat de zuidoostelijk en zuidwestelijke punten van de slagschaduwcontour alleen veroorzaakt worden gedurende de zomermaanden. Dit komt door de meer noordelijke stand van de zon tijdens zonsopgang en zonsondergang in de zomer. Als hier een woning is gelegen, dan kan er dus alleen in de zomer slagschaduw optreden. Dit geldt ook voor woningen aan de noordoost en noordwest kant waar alleen in de winterperiode slagschaduw kan optreden omdat de zon lager en meer aan de zuidelijke hemel staat.

Ochtend, avond of middag schaduw?

Aan de ligging van de woning ten opzichte van de windturbine is ook iets af te lezen over de periode van de dag waarin slagschaduw zou kunnen optreden. Bij grotere afstanden tot de windturbine dient de zon lager aan de hemel te staan om slagschaduw te laten optreden, er is dan sprake van slagschaduw in de ochtend of avond periode. Dit zorgt met name voor de ‘punten’ van de slagschaduw contouren aan de zuidwest en zuidoost kan en de noordoost en noordwest kant van de windturbine. Bij een woning direct ten noorden van de windturbine zal alleen tijdens de middagperioden slagschaduw kunnen optreden. Deze slagschaduw beweegt over het algemeen langzamer over het veld heen waardoor de slagschaduwduren per dag groot zijn. Mede daarom is de afstand van de zes uurs lijn hier relatief groot. Wel is het zo dat tijdens de zomerperioden de zon tijdens de middag zeer hoog aan de hemel staat waardoor de zon niet ver reikt vanaf de windturbine. In onderstaande weergave is inzicht gegeven in de perioden waarin slagschaduw kan optreden rondom een windturbine.

tijdstip van slagschaduw

Voorbeeld tijdstip slagschaduw

De vorm van de slagschaduwcontour

Te zien aan de vorm van de slagschaduwcontour is dat de lengte van de contourpieken in het noordoosten en noordwesten kleiner zijn dan de contourpieken in het zuidoosten en zuidwesten. Dit komt doordat in de winterperiode de kans op zonneschijn aanzienlijk kleiner is dan in de zomerperioden (tot wel 2x minder kans op zonneschijn). Dit betekent dat de gemiddelde te verwachten slagschaduwduur kleiner is in de pure wintermaanden, en heeft dus effect op de afstand van de contour tot aan de windturbine voor de slagschaduwcontourpieken die enkel in de winter optreden.

Infographic slagschaduw

Onderstaand doen wij een voorstel voor een infographic over slagschaduwduren die aangeeft in welke periode hinder is te verwachten als uw woning of kantoor zich op een bepaalde plek binnen deze contour bevindt. De kleur van het vlak waar uw woning of kantoor is gelegen geeft aan in welke seizoenen slagschaduw kan optreden. Afhankelijk van de oriëntatie van de woning ten opzichte van de windturbine (oost, west of noord) kan de slagschaduw ’s avonds, ’s middags of ’s ochtends optreden. Belangrijk om te realiseren is dat als uw woning is gelegen binnen de contour waarbij meer dan zes uur slagschaduw per jaar wordt verwacht, dat voor uw woning een stilstandvoorziening dient te worden getroffen indien de wettelijke norm ook wordt overschreden, waarmee de hinderlijke slagschaduw wordt verminderd. Uitvoering van een stilstandvoorziening betekent overigens niet dat uw nooit slagschaduw zal kunnen ervaren maar wel dat de meest hinderlijke en contrastrijke slagschaduw wordt voorkomen. In een volgende blogpost zal meer worden ingegaan op de hinderlijkheid van slagschaduw en het verschil tussen waarneembare slagschaduw en wettelijk hinderlijke slagschaduw.

infographic slagschaduw

Voorbeeld van infographic uitleg slagschaduwcontour

Deze blog is geschreven door Bouke Vogelaar en Stefan Flanderijn.

Innovatie in de wind [blog]

Tijdens de informatieavonden met omwonenden is er bijna altijd wel iemand die ons benadert met een innovatieve ontwikkeling op het gebied van windturbines. Omwonenden hopen dat nieuwe ontwikkelingen tot stillere of minder in het oog springende modellen gaan leiden. Het gaat hier vaak nog om prototypes of wilde ideeën die nog verre van marktrijp zijn en naar mijn mening dat ook nooit zullen worden, omdat ze technisch nauwelijks uitvoerbaar zijn, lastig schaalbaar of te duur zullen blijven.

Maar er zijn ook innovaties die ik met meer dan gemiddelde interesse in de gaten houd. Een daarvan zijn de zogenaamde airborne windenergie systemen. Airborne windenergie systemen maken gebruik van de constante en hoge windsnelheden op grote hoogte (tussen de 500 m en 12 km).

Airborne windenergie systemen bestaan uit drie componenten. Een grondstation, een kabel en een vlieger of vliegtuig. Bij de meeste systemen zit de generator in het grondstation (a). Deze zet de kinetische energie van het vliegtuig om in elektriciteit. Bij andere systemen (b) bevindt de generator zich juist boven in het vliegtuig en wordt de elektriciteit dus door de kabel naar het grondstation getransporteerd. Een mooi overzicht van (waarschijnlijk) alle systemen die in ontwikkeling zijn is hier te vinden.

In het kader van het 10-jarig bestaan van Pondera en het bijbehorende magazine WIND, hield ik een kort vraaggesprek met Wolbert Allaart (Directeur van Ampyx Power) over de toekomst van airborne windenergie en Ampyx in het bijzonder.

Ampyx Power – vliegeren voor gevorderden

Op een weiland bij Kraggenburg in de Noordoostpolder wordt serieus gevliegerd. Ampyx Power test daar haar huidige prototype met een spandwijdte van 5,5, meter. Dit gebeurt in goede harmonie met de omgeving. Maar wat gebeurt er als er grotere prototypes getest moeten worden? Pondera helpt Ampyx bij het doorlopen van de vergunningen procedure om dat voor elkaar te krijgen.

Waar kwam jullie drive vandaan om met Airborne Wind Energy aan de slag te gaan? Er is toch nog zoveel innovatie mogelijk binnen conventionele windenergie?

Airborne Wind Energy is niet nieuw. Het idee ontstond al vroeg in de 20e eeuw, en is in 1980 gepubliceerd door Miles L. Loyd. Maar pas toen er nieuwe, lichte materialen waren ontwikkeld en computersystemen geen kamers meer vulden, maar op een mini chip pasten, kon dit idee verder uitgewerkt worden. Rond de millenniumwisseling waren alle ingrediënten aanwezig die de daadwerkelijke toepassing van Airborne Wind Energy mogelijk maakten.

Aan de TU Delft vormde professor Wubbo Ockels een onderzoekgroep met als doelstelling om te onderzoeken met welk concept wind op hoogte het beste kan worden geoogst. Richard Ruiterkamp die deze groep leidde, kwam erachter dat met een vaste vleugel in de lucht en een generator op de grond met het minste materiaal de meeste elektriciteit kan worden opgewekt. In 2008 richtte hij Ampyx Power op om een systeem voor stroomopwekking te ontwikkelen op basis van dat principe.

De drive om met Airborne Wind Energy aan de slag te gaan komt voort uit de ambitie om tegen zo laag mogelijke kosten duurzame energie te produceren. Als je maar 10% van het materiaal nodig hebt, komen de kosten lager uit, waardoor productiesubsidies niet meer nodig zijn.

Wat maakt jullie zo overtuigd van het succes van Airborne Wind Energy?

Duurzame stroom kan veel goedkoper worden, goedkoper dan o.a. kolen en gas. Met deze technologie is het mogelijk om op grote hoogte windenergie te oogsten, waar het harder waait en waar de wind constanter is. Daardoor kan met veel minder materiaal (slechts 10%) en met minder impact op de omgeving evenveel stroom worden opgewekt dan met conventionele windturbines. Door deze combinatie van lage kosten, hoge opbrengsten en geringe impact op de omgeving kan de transitie naar duurzame energie versneld worden.

Wij werken volgens een strak schema aan de realisatie van onze doelstelling, stroom produceren tegen de laagste kosten en op een duurzame manier. Het grootste deel van die lange weg ligt al achter ons. Dat is de ontwikkeling van een idee tot een volledig werkend concept. Na zeven verschillende prototypes hebben we nu een toestel dat twee jaar lang is getest en voldoet aan de hoogste veiligheidsnormen van de burgerluchtvaart. Inmiddels bouwen we met verschillende partners aan een volgend 250 kW prototype. In 2020 verwachten we ons commerciële 2MW model klaar te hebben voor zowel on- als offshore toepassing.

Zijn er nog beren op de weg naar de grootschalige uitrol van Airborne Wind?

Het ontwikkelen van een nieuwe technologie is geen eenvoudige opgave. Op verschillende terreinen werken we hard om ervoor te zorgen dat naast de technische risico’s, ook de markt klaar is voor Airborne Wind, dat er een regelgevingskader is en dat we strategische partnerships in de waardeketen ontwikkelen.

Een ander gebied dat constant aandacht nodig heeft, is het ophalen van geld. De snelheid waarin we kunnen ontwikkelen valt of staat bij de financiering van de volgende stappen in het traject. Overheden steunen ons met subsidies, maar daarbij is de inbreng van eigen vermogen altijd uitgangspunt. De grootste investeerder in Ampyx Power is de crowd. In 2013 hebben we voor het eerst een crowdfunding campagne gedaan en we zijn druk bezig met het voorbereiden van een nieuwe ronde waarin we zo’n 1,5 tot 2 miljoen willen ophalen. Investeren kan gewoon via onze website. Iedereen kan al vanaf €1000 een klein stukje Ampyx Power kopen. Met het opgehaalde geld financieren we de bouw en de testcampagne van ons volgende systeem.

Waar staat Ampyx Power als Pondera haar 20 jarig jubileum viert?

Over 10 jaar hebben wij een aantal vroege offshore windparken voorzien van ons eerste commerciële model, de AP 2.0 MW. De eerste projecten met drijvende platforms zijn in gebruik genomen waarmee windenergie ook kan worden ontwikkeld in dieper water. We dingen mee in internationale tenders, produceren een paar honderd systemen per jaar en ons product is tegen die tijd zodanig geoptimaliseerd dat we tegemoet kunnen komen aan de wereldwijd groeiende behoefte aan goedkope duurzame energie.

Kotom: Airborn Wind Energy en Ampyx in het bijzonder heeft de potentie om in de toekomst een serieuze speler op de duurzame energiemarkt te worden. Ik blijf het in elk geval goed in de gaten houden…

 

Sla communicatie niet in de wind [blog]

Ondanks dat het CBS op 29 februari jl. bekend maakte dat de opwekking van duurzame energie door windturbines in 2015 met 20% is gegroeid naar zo’n 7 miljard kWh, horen we veel twijfels over het halen van de doelstellingen voor windenergie. Echt soepel loopt het namelijk niet. Een verdubbeling van het aantal MW in 2020 t.o.v. eind 2015 (3.022 MW op land) lijkt wel erg ver weg. Daarnaast zien we de druk op ruimte in Nederland toenemen, zeker ook met de groeiende omvang van windparken en windturbines. En met de druk op ruimte neemt ook de weerstand vanuit de lokale bevolking toe. Waar vroeger windenergieprojecten zonder al te veel weerstand gerealiseerd konden worden, is tegenwoordig op voorhand al rekening te houden met weerstand vanuit de lokale gemeenschap.

Dit betekent dat het steeds belangrijker wordt om op voorhand goed na te denken over hoe te communiceren met de omgeving. Sterker nog: goede communicatie met de omgeving is noodzakelijk om projecten te realiseren en de duurzame energiedoelstellingen te halen. Overigens ben ik van mening dat goede communicatie altijd noodzakelijk is ongeacht de mate van weerstand,  of het nu om het oprichten van een windturbine, een hoogspanningsmast of een schutting op de perceelgrens met je buurman gaat. Het op een gedegen wijze communiceren over ontwikkelingen die de belangen van meerdere personen raken en het betrekken van de juiste mensen, lijkt voor de hand liggend en iedereen lijkt te weten hoe dat moet worden aangepakt. Toch blijkt het opzetten van een gedegen strategie in de praktijk lastig te zijn. Een paar ‘lessons learned’ vanuit mijn praktijkervaring.

greenpeace

Maatwerk
Laat ik voorop stellen dat de omgang met de omgeving in windenergieprojecten altijd maatwerk nodig heeft. Er bestaat geen standaard communicatie-pakket. Grote projecten hebben vaak een andere aanpak nodig dan kleine projecten, in het landelijk gebied spelen andere belangen dan in verstedelijkt gebied. Daarnaast is elk project onderhevig aan factoren van buitenaf, zoals bijvoorbeeld de (lokale) politieke situatie. Dit betekent dat elk project een eigen benadering en aanpak nodig heeft. Dit betekent dan ook dat er goed na moet worden gedacht over welke stappen er eerst gezet moeten worden. Kortom: stem je strategie af op je project. De eerste vragen die daarbij gesteld moeten worden, zijn met welke doelgroepen je te maken hebt en wat het doel is van de communicatie. Is dat puur het informeren van de omgeving of vindt je het belangrijk om de omgeving bij het proces te betrekken? Het lijkt een open deur, maar deze vraag wordt te vaak overgeslagen.

Weet met wie je spreekt
Een verhaal op een goede manier brengen, kan alleen als je weet wie je tegenover je hebt. Zorg dat je inzicht hebt in welke partijen betrokken of geïnformeerd willen worden en met welke vragen deze partijen zitten. Gun het wat tijd om dezelfde taal te leren spreken. Het loont om je in de lokale situatie te verdiepen en te kijken op welke manier een windproject aan kan sluiten bij de lokale zorgen en belangen. Denk hierbij in doelgroepen en pas daar je informatievoorziening op aan. De belangrijkste groep zijn vaak de direct omwonenden. Door ‘common ground’ te vinden, zijn projecten een stap verder te brengen. Soms helpt het om daarbij een neutrale persoon of partij aan te wijzen, bijvoorbeeld in de vorm van een gebiedscoördinator.

Focus op Neutralerik
Door te weten met welke partijen je te maken hebt, kun je de keuze maken om actief of juist passief te informeren of te betrekken. 100% draagvlak bestaat niet. Mijn ervaring is dat door te focussen op degenen die positiever tegenover het project staan er een positieve lading rond een initiatief ontstaat, waardoor de weerstand minder (op de voorgrond) aanwezig is. Dit betekent natuurlijk niet dat deze groep niet op een nette manier moet worden geïnformeerd. Niet communiceren werkt altijd in je nadeel.

Duidelijk en transparant
Ongeacht of je actief of passief communiceert, is het belangrijk duidelijk en transparant te zijn in de boodschap die je wilt vertellen. Onduidelijke of tegenstrijdige communicatie leidt tot een negatieve beeldvorming. Ook hier is de vraag met welk doel je wilt communiceren van belang. Heb je als doel met name te informeren, dan loont het om zo concreet mogelijk te zijn. Bij het betrekken van omwonenden, kan het nuttig zijn om wat minder concreet te zijn en zo omwonenden de ruimte te geven om met eigen inbreng te komen. Hiermee hangt de keuze samen wanneer je met een project naar buiten treedt. Staat een locatie bijvoorbeeld al vast, dan is er weinig ruimte voor omwonenden om mee te denken. Is daar nog wat ruimte in het proces, dan kun je omwonenden makkelijker laten participeren. Denk hier op voorhand over na. Een verkeerde keuze aan het begin van een traject is lastig te herstellen.

What’s in it for them?
Zorg dat je een gedegen antwoord hebt op de vraag ‘What’s in it for me?’ voor de belanghebbenden. Denk na over compensatie en/ of participatiemogelijkheden en probeer dit zo vroeg mogelijk concreet te maken. Ook hier is van belang om een duidelijk en transparant verhaal te vertellen. In de praktijk zijn ontwikkelaars over het algemeen bereid om compensatie of participatie aan te bieden, maar dit blijft vaak te lang, te vaag. Als je omwonenden een helder antwoord kunt geven op bovenstaande vraag, is een hoop weerstand te voorkomen of weg te nemen.

Middelen
Hoewel het een nuttig middel blijft, is een banner op een informatieavond vaak niet meer voldoende. Communiceren over windprojecten betekent tegenwoordig het inzetten van een breder scala aan middelen die ervoor zorgen dat de gevraagde informatie voor de ontvanger ten alle tijden te raadplegen is. Denk hierbij aan goede projectwebsites en het bijhouden van sociale media.  Maar ook middelen als keukentafelgesprekken, visualisaties en nieuwsbrieven zijn nuttige middelen die allemaal op hun eigen wijze bijdragen aan een goede informatievoorziening. Met name goed beeldmateriaal blijkt belangrijk. Men wil graag weten hoe ‘het eruit komt te zien’.

Bovenstaande elementen kunnen helpen in de communicatie over windenergie, maar zijn uiteraard geen garantie voor groot draagvlak. De praktijk van dergelijke trajecten is weerbarstig. Laten we dus ook vooral van elkaar leren. Zowel binnen als buiten de sector is veel kennis en ervaring aanwezig. In mijn opinie zijn goede communicatietrajecten essentieel in het realiseren van windenergieprojecten in Nederland. Willen we de energietransitie voltooien en de duurzame energiedoelstellingen halen, dan zullen we initiatieven met de omgeving moeten opzetten en verder brengen.

Illustratie:
Greenpeace.org

COP 21: De eindstand [blog]

Auteurs: Wouter Pustjens & Mariëlle de Sain

‘Historisch’, ‘optimistisch’, ‘vergaand’. Grote stappen voorwaarts moeten worden genomen en roeren zullen drastisch omgaan.
Het klimaatakkoord laat het mediastof in superlatieven opwaaien. Na twee weken onderhandelingen gingen 195 landen onder luid applaus akkoord met een succesvolle afsluiting van de VN-klimaattop COP21. Veranderingen voor Nederland en de windsector lijken evident en aanstaande, maar we lichten een tip van de sluier over de betekenis van dit akkoord voor Nederland en de windsector.

Het klimaatakkoord vervangt in 2020 het Kyoto Protocol, waaraan 37 landen deelnamen. De hoofdpunten uit het nieuwe akkoord zijn:

  • 195 landen gaan actie ondernemen tegen klimaatverandering. Deze landen streven ernaar zo snel mogelijk een einde te maken aan de stijging van broeikasgassen. Voor armere, ontwikkelende landen zal dit langer duren dan voor de rijkere.
  • De aarde mag hoogstens 2 graden Celsius opwarmen, waarbij de landen serieuze inspanningen plegen om de gemiddelde temperatuurstijging te beperken tot 1,5 graden.
  • Vanaf 2020 stellen rijke landen $100 miljard (€91 miljard) ter beschikking om landen bij te staan die de uitvoering van het klimaatakkoord niet kunnen financieren.
  • Voorafgaand aan de top dienden 186 landen hun klimaatplannen in. Deze worden nu geëvalueerd. Een mondiaal revisiesysteem vraagt de landen elke vijf jaar hun klimaatplannen bij te werken, waarbij de ambities niet naar beneden mogen worden bijgesteld.
  • Het verdrag is officieel zodra 55 landen het hebben geratificeerd, die verantwoordelijk zijn voor 55 procent van de wereldwijde emissies.

Veranderingen voor Nederland

Tot het ingaan van het Parijse klimaatakkoord proberen alle EU-lidstaten hun eigen 20/20/20-doelstellingen te bereiken. Met deze afspraken streven EU-landen ernaar het energieverbruik 20 procent te verminderen, 20 procent te verduurzamen en 20 procent efficiënter te maken.
Jonathan Verschuuren, hoogleraar internationaal en Europees milieurecht, zegt in Nieuwsuur weinig verandering te verwachten voor de Nederlandse energieambities. Nederland laat zich nu leiden door de Europese doelstellingen die dwingender zijn dan het Parijse klimaatakkoord. De EU kan immers sancties opleggen als deze afspraken niet worden nagekomen. Nederland zit in de gevarenzone wat betreft de duurzame energiedoelstelling die volgens de huidige gang van zaken niet haalbaar lijkt.

South Bend Voice via Flickr“Voor energiebeleid wordt 2016 een heel spannend jaar,” zegt Ed Nijpels, voorzitter van de Borgingscommissie Energieakkoord. Nijpels is in gesprek met meerdere partijen om het draagvlak voor wind op land te vergroten. Verder overlegt hij met minister Kamp, minister Dijsselbloem, minister Blok en staatssecretaris Dijksma hoe pakketten met extra maatregelen ingevoerd kunnen worden. Hiermee wil Nijpels de gaten vullen om de doelen voor duurzame energie en energiebesparing te realiseren. Hierna gaat een brief naar de Tweede Kamer.
Het Nederlandse bedrijfsleven loopt enigszins vooruit op de Rijksoverheid. Topmannen van grote Nederlandse bedrijven als Unilever, DSM en Desso hebben in Parijs de politiek opgeroepen barrières weg te nemen voor de implementatie van duurzaamheidsmaatregelen.

Voor de wind

Duurzame energie in het algemeen, en windenergie in het specifiek, kunnen in steeds meer gevallen concurreren met fossiele brandstoffen. Bloomberg New Energy Finance meldde dat de kosten voor wind op land in het laatste half jaar van $85 naar $83 per MWh daalde, terwijl de kosten voor energie uit steenkool in Europa van $82 naar $105 per MWh steeg. Deze trend kan door het klimaatakkoord worden versterkt. De International Energy Agency (IEA) berekende dat de in Parijs gestelde doelen $16,5 biljoen aan investeringen in duurzame energie en energie efficiency vragen. De kans is groot dat de uitfasering van fossiele energie, met name steenkool, voor een aanzienlijk deel wordt opgevangen door de windsector.

De EWEA ziet nieuwe investeringsmogelijkheden voor wind binnen en buiten Europa. De organisatie wil de EU-ambitie verstevigen als marktleider op het gebied van hernieuwbare energie. De EWEA voorziet marktgroei buiten de EU, maar ook sterkere internationale competitie.

De EWEA wil aansluiten bij de klimaatplannen die landen inleverden voor de COP21. De klimaatplannen van 70 landen zien windenergie als middel om klimaatverandering concreet aan te pakken. Enkele plannen bevatten specifieke, kwantificeerbare ambities voor windenergie, veelal uitgedrukt in MW/GW of percentages. Dit zijn de plannen van:

  • Bangladesh (400 MW)
  • China (200 GW in 2020)
  • India (60 GW in 2022)
  • Mongolië (354 MW)
  • Marokko (14% energie uit wind in 2020)
  • Tunesië (1,7 GW in 2030)
  • Turkije (16 GW in 2030)

Opvallend genoeg is in de EU-klimaatplannen geen specifieke aandacht besteed aan hernieuwbare energietechnologieën.

Wat volgens EWEA nog in het klimaatakkoord ontbreekt, is het aanpassen van wetgeving over intellectuele eigendomsrechten met betrekking tot technologieën die een rol spelen bij de strijd tegen klimaatverandering. Intellectuele eigendomsrechten kunnen een obstakel vormen voor technologietransfer en daarmee de energietransitie. Het klimaatakkoord suggereert wel dat er wordt nagedacht over een nieuw raamwerk dat technologiebarrières zou moeten wegnemen.

Gevolgen voor windprojecten

Dit akkoord geeft natuurlijk een sterk signaal af voor radicale verandering van ons economisch systeem en energie-infrastructuur. Bovendien is het een mogelijke katalysator voor alle initiatieven die nu in ontwikkeling zijn. Het is een breed gedragen akkoord is, dat een extra laag vormt bovenop de EU-doelstellingen, het Energieakkoord, provinciale en gemeentelijke doelstellingen.

Echter, bij specifieke projecten zullen de doelstellingen leidend zijn die de meest gedefinieerde reikwijdte hebben. In onze dagelijkse praktijk zien we dat dit de doelstellingen van de provincies en gemeenten zijn, en niet een Europese richtlijn, laat staan een mondiaal klimaatakkoord. Bovendien is er regelmatig sprake van botsende belangen uit die gelaagdheid van doelen, waardoor overheden onderling projecten kunnen vertragen. Initiatiefnemers die nu starten met de ontwikkeling van een windpark, kunnen rekenen op lange procedures die meerdere jaren kunnen duren. Om al deze doelen een echte impuls te geven, doet de overheid er goed aan deze barrières weg te halen om de planfase in te korten. De neuzen staan grofweg dezelfde kant uit, maar bevinden niet op één lijn. Hoe nu verder?

De meest effectieve oplossing is om de resultaten van Parijs door te vertalen naar nieuwe concrete doelstellingen voor 2030 en mogelijk 2050 voor wind en mogelijk andere hernieuwbare energiebronnen. Zonder deze vertaling en zolang het systeem van emissiehandel nog niet adequaat functioneert, lopen we te veel risico dat het bij mooie woorden blijft.

Illustratie:
South Bend Voice via Flickr

COP 21: De tussenstand [blog]

Auteurs: Wouter Pustjens en Mariëlle de Sain

De klimaattop Parijs, de COP 21, is ruim een week bezig en er is een conceptakkoord opgeleverd. We zijn er echter nog lang niet. De onderhandelingen die nu plaatsvinden, gaan over de kern: de verdeling van de mondiale lusten en lasten over de aanpak van het klimaatprobleem. De uitkomst is van grote invloed op de ambitie van het klimaatverdrag; wordt het een papieren tijger of een die echt kan doorbijten?

Conceptakkoord

Illustratie 2 bij artikel COP 21Alle aanwezige landen erkennen het belang van het terugdringen van klimaatverandering. Eveneens zijn ze bereid om tot overeenstemming te komen en om elke vijf jaar de doelen bij te stellen. In het 48 pagina’s tellende conceptakkoord zijn algemene doelen gesteld, waarbij alle betrokkenen urgente actie ondernemen en samenwerking intensiveren over:

  • Het beperken van mondiale temperatuurstijging tot minder dan 1,5 °C of ruim beneden 2 °C;
  • Het vergroten van het vermogen om ons aan te passen aan nadelige gevolgen van klimaatverandering;
  • Het inzetten van een transitie naar een klimaatbestendige en koolstofarme economie en maatschappij, die geen bedreiging vormt voor de voedselproductie en –distributie.

Met het conceptakkoord is de kous nog lang niet af; in de hele tekst stonden 900 sets blokhaken die de discussiepunten van het verdrag aangeven. Deze punten staan een succesvolle uitkomst in de weg. Eén van de hoofdzaken – krijgt dit akkoord wel of geen juridisch bindende grondslag? – wordt nog betwist tussen China, de VS en de EU, de top drie CO2 uitstoters ter wereld. China en de EU willen bindende afspraken, maar de VS verwacht niet dat de hoofdzakelijk Republikeinse Senaat hiermee instemt.
Op het moment werken ministers van de 195 aanwezige landen aan een laatste concepttekst. Het formaliseren van de tekst gebeurt 11 december, de laatste dag van klimaattop.

EWEA

De klimaattop gaat over wereldwijde abstracte issues en oplossingen; men gaat niet in op specifieke oplossingen als windenergie. Wel sprak Giles Dickson, CEO van EWEA, vorige week op de klimaattop. Hij benadrukte daar dat windenergie het goedkoopste alternatief biedt voor fossiele brandstoffen, en in sommige gevallen op gelijke voet ermee kan concurreren. Dickson benoemde de rol die de Europese windsector kan spelen in opkomende markten zoals India, China, Brazilië en Turkije. “Deze landen zijn van groot belang voor windmolenbouwers.” Voorafgaand aan de klimaattop maakten deze landen hun beloften, ’Climate Pledges’”) bekend met betrekking tot hernieuwbare energie en windenergie. “Deze beloften van markten uit Azië, Afrika en Latijns Amerika moeten we beschouwen als een investeerdersbrochure voor de Europese windsector. […] Dit is een belangrijke kans voor Europa om een koppositie te verwerven als fabrikant en leverancier van wereldwijde windtechnologie.”
Met de campagne SolutionWind oefent EWEA samen met de Global Wind Energy Council (GWEC), druk uit op de COP 21.

Klimaatcoalitie

In de aanloop naar de klimaattop besloten 110 Nederlandse ngo’s, bedrijven en overheden – verenigd in de Nederlandse Klimaatcoalitie – hun gezamenlijke CO2-uitstoot in 2020 gehalveerd te hebben.
Enkele van deze ondertekenaars zijn grote bedrijven zoals FrieslandCampina, Philips, NS en Vodafone; meerdere middelgrote en kleine ondernemingen; gemeenten als Haarlem en onderwijsinstellingen als de Hogeschool Utrecht.

De klimaattop komt op 11 december tot een einde. Wij zijn benieuwd naar de bijtkracht van de tijger en daarom bespreken we volgende week de uitkomsten van het klimaatakkoord.

Illustratie:
Paris 2015 – COP 21 via Flickr

Lichthinder windturbines: wat moet, wat mag? [blog]

Windturbines en luchtvaartverlichting: een bijzonder onderwerp. Met het steeds hoger worden van moderne turbines is obstakelverlichting steeds vaker aan de orde en leidt het tot bezwaren uit de omgeving. Zowel windparkeigenaren als omwonenden hebben een gezamenlijk doel: geen of minder verlichting. Recent is uit onderzoek bij een bestaand windpark in Flevoland geconcludeerd dat maatwerk mogelijk is en als wenselijker wordt ervaren door de omgeving. Naar aanleiding hiervan heb ik mij verdiept in het kader op basis waarvan deze markering wordt toegepast. Mijn vraag: zou het binnen dit kader niet mogelijk zijn om de verlichting of de inzet ervan te beperken?

Mijn bevindingen kort samengevat: in het achterliggende kader liggen kansen om verlichting te beperken en internationaal zijn er verschillende voorbeelden die al in de praktijk hun effectiviteit hebben bewezen. Een expliciet standpunt van de overheid, bijvoorbeeld in de vorm een beleidsbrief, zou goed zijn voor uniforme toepassing.

Huidige situatie

Windturbines met een tiphoogte van 150 meter of meer worden voorzien van zogenaamde obstakelmarkering. Dit bestaat uit een wit (bij dag) en rood (bij nacht) knipperlicht. Het doel van dit licht is om piloten alert te maken op de aanwezigheid van de windturbine. Ondanks dat de lichten op de gondel staan, dus op grote hoogte, en horizontaal uitschijnen, zijn deze lichten tot op grote afstand zichtbaar als puntbronnen. De zichtbaarheid van met name de nachtelijke verlichting wordt als storend ervaren door omwonenden en als onwenselijk vanuit het oogpunt van behoud van duisternis. Tot enige jaren geleden was de toepassing van verlichting relatief ad hoc en verschillend. Sinds enkele jaren adviseert de overheid toepassing conform de aanbevelingen uit het internationale verdrag ICAO Annex 14 Volume I (Annex 14).

foto Clampco
Bron: Clampco Sistemi (www.clampco.it)

Schets achtergrond

Het doel van de verlichting, ‘obstakelmarkering’, is helder en staat niet ter discussie. Hoge obstakels moeten gemarkeerd worden zodat vliegtuigen er niet tegen aan vliegen. De ICAO Annex 14 is een internationaal verdrag, dus niet bindend voor individuele projecten of partijen, maar iedereen heeft belang bij een veilig luchtruim en het is logisch (en veilig) om bij internationale uniforme afspraken aansluiting te zoeken. Als ieder land toch zijn eigen “kleurtje” kiest, snapt niemand de boodschap van de lichten. ILT, de Inspectie Leefomgeving en Transport, adviseert windparken dan ook op basis van de opzet uit Annex 14.

Gravend naar de basis voor de eisen van de verlichting kwam ik uit op het Aerodrome design manual, doc 9157 part 4 Visual aids. Hieruit komt naar voren dat de lichtsterkte is gebaseerd op slecht zichtcondities (most demanding conditions). Logisch natuurlijk: ook bij slecht zicht moeten de windturbines op voldoende afstand zichtbaar zijn. Vliegtuigen vliegen snel, dus er moet behoorlijk wat licht uitgestraald worden om de turbines tijdig te kunnen zien. De slechtste condities zijn dan ook het uitgangspunt voor de minimale verlichtingseisen. Vind ik ook logisch. In algemene zin geldt dat vanuit zorgvuldigheid van negatieve scenario’s wordt uitgegaan ten behoeve van de veiligheid. Het is bijvoorbeeld in principe hoogst uitzonderlijk om ’s nachts op zicht te vliegen en niet op de instrumenten van een vliegtuig; maar ook hiervoor geldt dat bij afwezigheid van visuele markering er een hogere kans op aanvaring is.

Opvallender vond ik echter de constatering in het manual dat sommige type omgevingen gevoeliger zijn voor milieubezwaren (hinder, zichtbaarheid in de duisternis) verbonden aan de lichten vanwege het beperkte omgevingslicht. Het betreft bijvoorbeeld platteland en natuurgebieden. Nieuwe verlichting is een duidelijk waarneembare verandering ten opzichte van de huidige situatie in donkere gebieden.

Afwijken: dimmen en uitzetten

Er is dus een internationaal verdrag met richtlijnen en aanbevelingen. Op zich logisch om het dan ook toe te passen. Maar het zou mooi zijn om de ruimte die hierbinnen aanwezig is te pakken: pas het handvat dat wordt geboden toe, maar doe dat wel praktisch en maak gebruik van mogelijkheden om andere belangen dan de luchtvaart te ontzien.

Als je dan kijkt naar de wijze waarop andere landen hier mee om gaan, kom je een aantal interessante voorbeelden tegen. De richtlijnen en aanbevelingen uit Annex 14 worden hier toegepast, maar met een praktische invulling.

Duitsland
Duitsland heeft de richtlijnen en aanbevelingen uit Annex 14 in nationale regelgeving vastgelegd en/of aangevuld. In Nederland is dat tot op heden niet het geval, al wordt er gewerkt aan een beleidslijn. Duitsland heeft ook ICAO (‘het Verdrag van Chicago’) geratificeerd (1956). In de Allgemeine Verwaltungsvorschrift zur Kennzeichnung von Luftfahrthindernissen van het Bundesministerium für Verkehr, Bau und Stadtentwicklung is een specifieke regeling opgenomen om tegemoet te komen aan bezwaren van luchtvaartverlichting. Toegestaan wordt dat de intensiteit van de verlichting wordt aangepast aan de actuele zichtomstandigheden. Met andere woorden: de minimum afstand waarop de windturbines zichtbaar zijn is geborgd. Bij goed zicht (zoals heldere nachten) kan dus de intensiteit van de verlichting worden verminderd. Deze vermindering is fors, wat niet verwonderlijk is omdat de lichten bij goed zicht over grote afstanden zichtbaar zijn door de hoogte waarop ze zijn geplaatst.

De regeling is helder en kort:
• Is het zicht 5 kilometer, dan kan de maximale intensiteit terug worden gebracht tot 30%;
• Is het zicht 10 kilometer, dan tot 10% (’s nachts dus 200 candela).

Effectief, efficiënt en logisch op grond van de voor de luchtvaart vereiste tijdige zichtbaarheid van hoge obstakels, maar rekening houdende met de belangen van derden.

Canada
Een techniek waar ik al geruime tijd van hoor en die volgens mij heel logisch is, betreft de inzet van radar. Korte schets van het principe: luchtvaartverlichting heeft tot doel om vliegtuigen te attenderen op de aanwezigheid van een obstakel. Als er geen vliegtuig is, is er dus ook geen behoefte aan verlichting. Een radar bekijkt 24/7 de aanwezigheid èn de route van vliegtuigen. Heeft een vliegtuig een koers gericht op of nabij een windturbine (op een relevante hoogte; dus niet de burgerluchtvaart op 10 kilometer hoogte) gaat de verlichting tijdig aan. Radar is een bewezen techniek, die wordt op vliegvelden ook gebruikt, en er is geen afhankelijkheid van de aanwezigheid van extra technische aanpassing in het vliegtuig. Logisch en vooral effectief op plekken waar maar beperkt vliegtuigen vliegen. In heel Nederland is dat vooral ’s nachts het geval, behalve bij een paar grote luchthavens.

Bron: Vestas
Bron: Vestas

Uit een inventarisatie blijkt dat er diverse testen zijn gedaan die succesvol zijn afgerond. Maar mag het ook juridisch? In diverse landen wel. In Noorwegen, de Verenigde Staten en Canada wordt het toegestaan. Uit de Noorse documenten komt naar voren dat het systeem hiertoe door de luchtvaartautoriteiten is getest en akkoord bevonden.

Het mooiste voorbeeld is echter Canada (ICAO ondertekend 1944, geratificeerd 1946). Hier is namelijk in de regelgeving expliciet vastgelegd dat toepassing van deze technologie is toegestaan. In hoofdstuk 15 Aircraft Detection System van de Canadian Aviation Regulations Standard 621 Obstruction Marking and lighting is concreet aangegeven dat op basis van een analyse van positie, hoogte en koers, de verlichting wordt ingeschakeld als het vliegtuig op koers ligt met het obstakel. Het expliciete doel van deze mogelijkheid is om energieverbruik van de lichten en zichtbaarheid voor de omgeving te beperken.

‘Chapter 15 governs Aircraft Detection Systems (ADS) which are used to turn on obstruction lighting systems upon detection of an approaching aircraft. The system is radar based and can detect and analyze the flight path [position, altitude, heading and ground speed] of an aircraft so as to determine the possibility of potential collision with an object. If the flight path is such that the aircraft may impact the obstacle, then the obstacle lights are turned on and a later audio signal is transmitted. The purpose of the system is to enable the lighting to be off when not needed [absence of aircraft] and thereby to reduce energy consumption, and glare to the public.’

Toepassing in Nederland

Nederland heeft ICAO ondertekend (1944, ratificatie 1947). Zoals aangegeven, is er top op heden geen nadere regelgeving voor obstakelmarkering in Nederland. In Nederland vindt op dit moment een proef plaats met het verminderen van de intensiteit van luchtvaartverlichting en de beleving van deze aanpassing door omwonenden, recent zijn hiervan resultaten gepubliceerd. Conclusies zijn hier nog niet aan verbonden.

Op grond van voorgaande zou ik stellen dat toepassing van intensiteitsvermindering al reeds mogelijk is en ook toelaatbaar binnen de huidige nationale regelgeving. Dit zonder afbreuk te doen aan de verantwoordelijkheid die de Nederlandse Staat op zich heeft genomen bij het ondertekenen van ICAO. Technische optimalisaties die niet worden ontraden of verboden, zijn toepasbaar (bijvoorbeeld: markering is geadviseerd, niet markeren ligt dan dus niet voor de hand). Voor radardetectie verwacht ik dat de kosten hiervan relatief hoog zijn. Een proef is dan ook wellicht zinvol om kosten en baten te kunnen bepalen.

Het lijkt mij onwenselijk als dit tot een scala aan ‘trial and error’ toepassingen leidt. Dat is niet nodig en prima te voorkomen. Een beleidsbrief van het ministerie van I&M, de beleidsdirectie voor luchtvaartveiligheid, kan aanvullend een uniform kader scheppen. Vanuit een zorgplicht is afwijking dan alleen mogelijk met goede motivatie, bijvoorbeeld in overleg met de inspectie. In de beleidsbrief kan minimaal aansluiting worden gezocht bij de lessons learned in andere landen; we hoeven immers het wiel niet zelf te gaan uitvinden.

Het zou mooi zijn om een algemeen kader te hebben dat de algemene basis voor beperking biedt (bijvoorbeeld op een bepaalde afstand van vliegvelden) en dat hiervoor geen bijzondere locatiespecifieke studies zijn vereist die niet alleen kostbaar zijn maar vooral veel tijd en discussie kosten. Verdergaande maatregelen (zoals het volledig achterwege laten van verlichting of alleen toepassen van infraroodverlichting) vereisen vanzelfsprekend wel enige aeronautische studie voor de betreffende situatie.