Windturbinegeluid en gezondheid: feit en fictie

Op 10 oktober 2018 heeft de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) ‘Environmental Noise Guidelines for the European Region’ uitgebracht. De WHO geeft in het rapport een ‘voorwaardelijk’ advies om de blootstelling aan geluidniveaus van windturbines te reduceren tot 45 dB Lden. Op dit moment bedraagt de Nederlandse norm voor windturbinegeluid 47 dB Lden, wat is vastgelegd in het Activiteitenbesluit. Het advies, dat bedoeld is om effecten op de gezondheid te reduceren, veroorzaakte veel belangstelling en het rapport werd dan ook volop verspreid via Twitter en andere media.

Zo kopte het AD bijvoorbeeld het volgende:

"WHO: geluid windmolens is potentieel gezondheidsrisico."

Naar aanleiding van deze kop, en de vele andere nieuwsartikelen over het onderwerp, hebben we het rapport van de WHO zelf bestudeerd. Wat ons opvalt is dat de manier waarop de inhoud van het rapport in de media werd gebracht significant afwijkt van wat wij in het rapport aantreffen. Het grootste verschil is dat het rapport veel genuanceerder is. Omdat we het belangrijk vinden dat de discussie wat betreft windenergie over feiten gaat, willen we in deze blog ingaan op de huidige (wetenschappelijke) stand van zaken met betrekking tot turbinegeluid en gezondheid.

Rapport WHO is veel genuanceerder

Laten we beginnen met het meest recente rapport van de WHO. Daaruit blijkt dat er geen statistisch significante relatie gevonden is tussen de blootstelling aan windturbinegeluid en mogelijke gezondheidseffecten zoals hart- en vaatziekten, hoge bloeddruk, cognitieve stoornissen, gehoorproblemen, ongunstige zwangerschap uitkomsten en slaapstoornissen. Uit een viertal studies blijkt dat ongeveer 10% van de populatie sterk gehinderd wordt door blootstelling aan een geluidsniveauDe voorpagina van het rapport van de WHO over lawaai. van 45 dB. Maar het bewijs voor de relatie tussen windturbinegeluid, hinder en gezondheid wordt vervolgens – door de WHO zelf! – gekarakteriseerd als ‘van lage kwaliteit.’

Misschien nog treffender is de manier waarop de WHO op pagina 84 het rapport voor wat betreft geluid van windturbines samenvat: “very little evidence is available about the adverse health effects of continuous exposure to wind turbine noise.” Vrij vertaald: er is heel weinig bewijs beschikbaar voor de nadelige effecten van windturbinegeluid op de gezondheid.

Omstreden literatuur windturbinegeluid

Wellicht rijst nu de vraag waarom wij, als adviesbureau, de berichtgeving over dit rapport van de WHO zouden willen nuanceren. Dat heeft de volgende reden. Pondera heeft in de dagelijkse gang van zaken vaak te maken met critici van windenergie. Discussies over windenergie gaan we vanzelfsprekend niet uit de weg: als adviseur is het onze taak om te informeren én te adviseren. Wat wij merken is dat de wijze van berichtgeving en de kwaliteit van het gebruikte referentiemateriaal nog weleens afbreuk doet aan de kwaliteit van de inhoudelijke discussie. Een kritische blik op windenergie mag en móet, maar we vinden het van belang dat de dialoog over windenergie op feiten gebaseerd is. We bespreken daarom hieronder een aantal onderzoeken die in de dialoog vaak worden aangehaald, zowel wetenschappelijke als niet-wetenschappelijke.

Windturbinesyndroom
Een regelmatig gebruikte term in de discussie rondom windenergie en gezondheid is het ‘windturbinesyndroom’, afkomstig uit een onderzoek van de Amerikaanse arts Nina Pierpont (Pierpont, 2009). Deze ziekte zou veroorzaakt worden door laagfrequent geluid. De conclusies worden echter niet gedeeld door andere studies die de invloed van windturbines op gezondheid bestudeerden (zie bijvoorbeeld: The Oregonian editorial, 2010). De studie van Pierpont wordt breed bekritiseerd wegens een zwakke wetenschappelijke basis. Zo is de grootte van de steekproef die werd gebruikt vrij klein: slechts 38 personen. Andere punten die worden genoemd door critici (zoals in het artikel The junk science of wind turbine syndrome van Ketan Joshi (2012):

  • De symptomen werden door de proefpersonen zelf gerapporteerd, zonder tussenkomst van een medisch specialist en zonder onderzoek te doen naar de gezondheidshistorie. Het is goed mogelijk dat een aantal proefpersonen al gezondheidsproblemen had vóór de bouw van de windturbines in de omgeving en vóór het onderzoek werd uitgevoerd.
  • Het onderzoek bevatte geen controlegroep en het artikel is enkel peer reviewed (vrij vertaald: door een vakgenoot nagekeken) door persoonlijke kennissen van Pierpont. Geen enkele van deze peer reviewers had een achtergrond in akoestiek, epidemiologie of geneeskunde, terwijl dat precies is waar het artikel van Pierpont over ging.

Windturbine

Een soortelijke conclusie kan worden getrokken over het artikel van de Portugese onderzoeker M. Alves-Pereira (Branco en Alves-Pereira, 2004). Zij stelt dat er een relatie is tussen het geluid van windturbines (met name het laagfrequente geluid) en de aanwezigheid van hart- en vaatziekten. Ook deze studie wordt breed bekritiseerd (o.a. door Chapman and St George, 2013), aangezien het onderzoek niet voldoet aan de eisen die aan wetenschappelijke onderzoek mogen worden gesteld.

Niet één van de peer reviewers had een achtergrond in akoestiek, epidemiologie of geneeskunde, terwijl dat precies is waar het artikel van Pierpont over ging.

Omgekeerde bewijslast
In 2018 heeft huisarts S. van Manen een artikel gepubliceerd in het Medisch Contact met de titel: ‘Windmolens maken wel degelijk ziek’ (van Manen, 2018). Van Manen stelt dat het niet kan worden bewezen dat windturbines níet ziek maken. En omdat dat niet bewezen kan worden, zou je voorzichtig moeten zijn met het doorgaan met plaatsen van windturbines vanwege het voorzorgsbeginsel.

Maar Van Manen gaat hier – ons inziens – aan twee zaken voorbij. Ten eerste pleit ze voor een omgekeerde bewijslast: zo zou je voor elke ruimtelijke ingreep eerst moeten bewijzen dat er geen gezondheidseffecten optreden. Dat streven is an sich verdedigbaar, maar het is praktisch onuitvoerbaar. En ten tweede: je kunt de ruimtelijke ingreep niet los zien van het doel. Als je alleen kijkt naar gezondheid, dan werden er geen snelwegen meer gebouwd (vanwege geluid, fijnstof, etc.), zouden we geen auto meer rijden (vanwege de ongelukken) en zouden we niet meer mogen vliegen (vanwege o.a. uitstoot CO2 en geluidhinder). Toch doen we al die dingen, omdat we het resultaat zwaarden vinden wegen dan de risico’s. Om bij windenergie te blijven: het resultaat is de bijdrage aan de oplossing van het klimaatprobleem.

Tot slot concludeert van Manen dat er geen bewijs is dat windturbines directe gezondheidsproblemen of ziektes veroorzaken en stelt dat er meer onderzoek nodig is. Dit toont een nuance die de titel van haar artikel niet doet vermoeden (‘Windmolens maken wel degelijk ziek’). Hoewel dit wellicht onbedoeld is, zorgen dergelijke titels boven artikelen voor onterechte angst en afkeer voor windturbines.

Windturbines in wolken

Wetenschappelijk onderzoek windturbines en gezondheid

In de vorige paragraaf hebben we geprobeerd te laten zien dat onderzoeken naar de relatie tussen blootstelling aan windturbines en gezondheidsklachten soms verkeerd worden geïnterpreteerd of ongenuanceerd als bron worden gebruikt. Daarnaast voldoen een aantal onderzoeken niet aan de benodigde vereisten voor wetenschappelijk onderzoek. In deze paragraaf beschrijven we een aantal wetenschappelijke onderzoeken van erkende (inter)nationale gezondheidsinstituten en universiteiten.

Uit een studie van Health Canada (Michaud et al. 2016), de federale gezondheidsinstantie van Canada, blijkt dat geluid van windturbines geen directe negatieve effecten heeft op de gezondheid van omwonenden. Er zijn geen meetbare effecten op (chronische) ziekten, stress en slaap, zo luidt de conclusie. Vanaf 2012 zijn 1.238 volwassenen, woonachtig op verschillende woonafstanden van windturbines, voor langere tijd onderzocht. Voor het onderzoek werden zij meerdere keren lichamelijk onderzocht op bloeddruk, hartritme, slaap en stresshormonen. Ook moesten zij enquêtes invullen bestaande uit vragen over sociaal-demografische situaties, geluid en hinder, gezondheidseffecten, levensstijl en bestaande chronische ziektes. Tevens is tijdens het onderzoek 4.000 uur aan windenergiegeluid opgenomen om te kijken of er bij een hoger geluidniveau ook meer klachten zijn. Er werden in het onderzoek geen directe verbanden gevonden tussen blootstelling aan windturbinegeluid en klachten als migraine, diabetes, hoge bloeddruk en slapeloosheid.

Onderzoeken komen tot dezelfde conclusie: dat er geen rechtstreeks verband is tussen de aanwezigheid van windturbines en gezondheidseffecten op omwonenden.

In een tweetal onderzoeken zijn tussen 1982 en 2013 alle Deense huishoudens die werden blootgesteld aan windturbinegeluid geïdentificeerd (Poulsen et al. 2018a, 2018b). Deze huishoudens zijn onderzocht op het gebruik van antihypertensiva en ongunstige zwangerschapsuitkomsten. Antihypertensiva zijn medicijnen die worden gebruikt voor de behandeling van hoge bloeddruk. Structurele gebruikers van antihypertensiva binnen het kader van het onderzoek werden geïdentificeerd. In deze studie werd geen relatie gevonden tussen blootstelling aan windturbinegeluid en het gebruik van antihypertensiva. Verder zijn alle geboren baby’s van moeders in deze populatie onderzocht. Er werd in deze studie geen relatie gevonden tussen blootstelling aan windturbinegeluid en ongunstige zwangerschapsuitkomsten.

Studieboeken

Overige onderzoeken (zoals Ellenbogen et al. 2012, NHRMC 2015) komen tot dezelfde conclusie: dat er geen rechtstreeks verband is aangetoond tussen de aanwezigheid van windturbines en gezondheidseffecten op omwonenden. Bovendien is er geen verband gevonden tussen laagfrequent geluid van windturbines en gezondheidsklachten. Ook de Nederlandse gezondheidsinstellingen het RIVM en de GGD (Kamp 2014, Kamp & Berg 2017) bekrachtigen dit standpunt in literatuurstudies over dit onderwerp.

Indirecte effecten van windturbines op de gezondheid

Maar hebben windturbines dan helemaal geen effect op hun omgeving? Wat in studies (Kamp 2014, Michaud 2016, Kamp 2017) wel naar boven komt is dat er indirecte effecten kunnen optreden. Mensen die in de nabijheid bij windturbines wonen, kunnen hinder door geluid ondervinden. Slagschaduw, zichtbaarheid en knipperende lichten kunnen bijdragen aan de mate van hinder die wordt ondervonden. Het geluidniveau van windturbines is minder hoog dan van andere bronnen (verkeer e.d.), maar het karakter zorgt ervoor dat het windturbinegeluid bij lagere niveaus als hinderlijk wordt ervaren. Hinder kan zich uiten in irritatie, boosheid en onbehagen.

Bovendien kunnen economische aspecten van invloed zijn op het ervaren van hinder van windturbines. In een Zweeds onderzoek (Pedersen et al. 2007) werd geconcludeerd dat mensen met een economisch belang bij windturbines geen hinder ondervonden van het windturbinegeluid, ondanks het feit dat zij hetzelfde geluidniveau ondervonden als de andere respondenten, en bovendien dezelfde termen gebruikten om het geluid te karakteriseren. Tevens kunnen persoonlijke omstandigheden zoals gevoeligheid, privacy en het planningsproces van het windpark van invloed zijn op de hinder die wordt ervaren.

Conclusie

In deze blog hebben we gekeken naar een aantal (wetenschappelijke) onderzoeken naar de effecten van windturbine(geluid) op de gezondheid. In de meeste studies wordt geconcludeerd dat er geen rechtstreeks verband kan worden aangetoond tussen windturbinegeluid en gezondheidseffecten zoals hoge bloedruk, ongunstige zwangerschapsuitkomsten, slaapoverlast en ziektes. Er is ook geen direct wetenschappelijk bewijs gevonden voor een verband tussen laagfrequent geluid van windturbines en gezondheidseffecten. De enkele studies die wél bewijs voor zulke effecten vonden, blijken wetenschappelijk gezien veel kritiek te krijgen.

Wat wel blijkt uit het onderzoek is dat blootstelling aan windturbinegeluid hinder kan veroorzaken. Die hinder kan zich uiten in irritatie, boosheid en onbehagen. De mate van hinder die wordt ervaren is bovendien een combinatie van de feitelijke geluidbelasting, zichtbaarheid van de windturbine(s), persoonlijke omstandigheden en of er sprake is van direct economisch baten bij de windturbine.

Tot slot willen we de conclusie aanhalen van De Correspondent die in 2016 al eens een zinvolle blog over windturbines en gezondheid heeft gepubliceerd (Mommers, 2016) en die wij ondersteunen:

“…het [is] opvallend dat het ontstaan van de klachten door windmolengeluid vooral afhankelijk lijkt van iemands houding ten opzichte van de molens. Omdat veel omwonenden negatief tegenover windmolens staan, is het daarom wel zo eerlijk om deze klachten niet weg te redeneren: er bestaat wel degelijk een relatie tussen de bouw van de molens en klachten over slaap, stress en daarmee gezondheid.

Maar omdat de klachten niet direct veroorzaakt zijn door de windmolens zelf, kan deze relatie worden weggenomen door constructies te bedenken waarin bewoners zich meer met de windmolen verbonden voelen. Bijvoorbeeld door gedeeld eigenaarschap of het delen van financiële baten.”

Referenties

  1. Branco, NAA Castelo, and Mariana Alves-Pereira. “Vibroacoustic disease.” Noise and Health 6.23 (2004): 3.
  2. Chapman, S and Alexis B. St George, University of Wollongong and Sydney, How the factoid of wind turbines causing “vibroacoustic disease” came to be “irrefutably demonstrated’, 2013.
  3. Ellenbogen, Jeffrey M., et al. “Wind turbine health impact study: report of independent expert panel.” Prepared for Massachusetts Department of Environmental Protection and Massachusetts Department of Public Health (2012).
  4. Kamp, Irene van, et al. “Windturbines: Invloed Op De Beleving En Gezondheid Van Omwonenden.” Rijksinstituut Voor Volksgezondheid En Milieu, 21 januari 2014.
  5. Kamp, Irene van, and Frits van den Berg. “Health effects related to wind turbine sound, including low-frequency sound and infrasound.” Acoustics Australia (2017): 1-27.
  6. Ketan Joshi, The junk science of wind turbine syndrome, 2012.
  7. “NHMRC Statement: Evidence on Wind Farms and Human Health.” National Health and Medical Research Council, Feb. 2015, nhmrc.gov.au/sites/default/files/documents/reports/statement-wind-farms-human-health-eh57.pdf.
  8. Manen, Sylvia van. “Windmolens Maken Wel Degelijk Ziek.” Medisch Contact, 22 maart 2018, www.medischcontact.nl/nieuws/laatste-nieuws/artikel/windmolens-maken-wel-degelijk-ziek.htm.
  9. Michaud, David S., et al. “Exposure to wind turbine noise: Perceptual responses and reported health effects.” The Journal of the Acoustical Society of America 139.3 (2016): 1443-1454.
  10. Mommers, Jelmer. “Factcheck: ‘Windmolens Veroorzaken Gezondheidsschade Bij Omwonenden.’” De Correspondent, 6 mei 2016, https://decorrespondent.nl/4456/factcheck-windmolens-veroorzaken-gezondheidsschade-bij-omwonenden/492564577912-af74f3ad.
  11. Pierpont, Nina. “Wind turbine syndrome.” K-Selected Books (2009).
  12. Poulsen, Aslak Harbo, et al. “Long-term exposure to wind turbine noise and redemption of antihypertensive medication: A nationwide cohort study.” Environment international 121 (2018): 207-215.
  13. Poulsen, Aslak Harbo, et al. “Pregnancy exposure to wind turbine noise and adverse birth outcomes: a nationwide cohort study.” Environmental research 167 (2018): 770-775.
  14. Pedersen, Eja, and Kerstin Persson, Waye. “Wind turbine noise, annoyance and self-reported health and wellbeing in different living environments.” Occupational and environmental medicine (2007).
  15. The Oregonian editorial. There’s no evidence of health impacts from wind energy. November 26, 2010.
  16. World Health Organization. (2018). Environmental Noise Guidelines for the European Region. http://www.euro.who.int/__data/assets/pdf_file/0008/383921/noise-guidelines-eng.pdf

Deze blogpost werd geschreven door Joost Sissingh en Sergej van de Bilt.

Pondera onderzoekt uitbreiding windenergie in Deventer

De gemeente Deventer heeft het locatieonderzoek van Pondera Consult gepresenteerd dat de potentie van windenergie in Deventer verkent. Het onderzoek is uitgevoerd naar aanleiding van een verzoek van de gemeenteraad aan het college om uitbreidingsmogelijkheden voor windenergie in beeld te brengen.

Het onderzoekt identificeert zeven locaties die ruimtelijk-technische potentie hebben voor windenergie. Er zijn windturbines onderzocht met een ashoogte van 120 en 150 meter en dito rotordiameter die zo een bandbreedte van mogelijkheden aan te geven. Het rapport geeft harde en zachtere belemmeringen weer om een debat te kunnen voeren over of en hoe de mogelijkheden voor windenergie in Deventer worden ingevuld.

Het onderzoeksrapport is aangeboden aan de gemeenteraad. Het volledige onderzoek is hier te lezen.

Lichthinder windturbines: wat moet, wat mag? [blog]

Windturbines en luchtvaartverlichting: een bijzonder onderwerp. Met het steeds hoger worden van moderne turbines is obstakelverlichting steeds vaker aan de orde en leidt het tot bezwaren uit de omgeving. Zowel windparkeigenaren als omwonenden hebben een gezamenlijk doel: geen of minder verlichting. Recent is uit onderzoek bij een bestaand windpark in Flevoland geconcludeerd dat maatwerk mogelijk is en als wenselijker wordt ervaren door de omgeving. Naar aanleiding hiervan heb ik mij verdiept in het kader op basis waarvan deze markering wordt toegepast. Mijn vraag: zou het binnen dit kader niet mogelijk zijn om de verlichting of de inzet ervan te beperken?

Mijn bevindingen kort samengevat: in het achterliggende kader liggen kansen om verlichting te beperken en internationaal zijn er verschillende voorbeelden die al in de praktijk hun effectiviteit hebben bewezen. Een expliciet standpunt van de overheid, bijvoorbeeld in de vorm een beleidsbrief, zou goed zijn voor uniforme toepassing.

Huidige situatie

Windturbines met een tiphoogte van 150 meter of meer worden voorzien van zogenaamde obstakelmarkering. Dit bestaat uit een wit (bij dag) en rood (bij nacht) knipperlicht. Het doel van dit licht is om piloten alert te maken op de aanwezigheid van de windturbine. Ondanks dat de lichten op de gondel staan, dus op grote hoogte, en horizontaal uitschijnen, zijn deze lichten tot op grote afstand zichtbaar als puntbronnen. De zichtbaarheid van met name de nachtelijke verlichting wordt als storend ervaren door omwonenden en als onwenselijk vanuit het oogpunt van behoud van duisternis. Tot enige jaren geleden was de toepassing van verlichting relatief ad hoc en verschillend. Sinds enkele jaren adviseert de overheid toepassing conform de aanbevelingen uit het internationale verdrag ICAO Annex 14 Volume I (Annex 14).

foto Clampco
Bron: Clampco Sistemi (www.clampco.it)

Schets achtergrond

Het doel van de verlichting, ‘obstakelmarkering’, is helder en staat niet ter discussie. Hoge obstakels moeten gemarkeerd worden zodat vliegtuigen er niet tegen aan vliegen. De ICAO Annex 14 is een internationaal verdrag, dus niet bindend voor individuele projecten of partijen, maar iedereen heeft belang bij een veilig luchtruim en het is logisch (en veilig) om bij internationale uniforme afspraken aansluiting te zoeken. Als ieder land toch zijn eigen “kleurtje” kiest, snapt niemand de boodschap van de lichten. ILT, de Inspectie Leefomgeving en Transport, adviseert windparken dan ook op basis van de opzet uit Annex 14.

Gravend naar de basis voor de eisen van de verlichting kwam ik uit op het Aerodrome design manual, doc 9157 part 4 Visual aids. Hieruit komt naar voren dat de lichtsterkte is gebaseerd op slecht zichtcondities (most demanding conditions). Logisch natuurlijk: ook bij slecht zicht moeten de windturbines op voldoende afstand zichtbaar zijn. Vliegtuigen vliegen snel, dus er moet behoorlijk wat licht uitgestraald worden om de turbines tijdig te kunnen zien. De slechtste condities zijn dan ook het uitgangspunt voor de minimale verlichtingseisen. Vind ik ook logisch. In algemene zin geldt dat vanuit zorgvuldigheid van negatieve scenario’s wordt uitgegaan ten behoeve van de veiligheid. Het is bijvoorbeeld in principe hoogst uitzonderlijk om ’s nachts op zicht te vliegen en niet op de instrumenten van een vliegtuig; maar ook hiervoor geldt dat bij afwezigheid van visuele markering er een hogere kans op aanvaring is.

Opvallender vond ik echter de constatering in het manual dat sommige type omgevingen gevoeliger zijn voor milieubezwaren (hinder, zichtbaarheid in de duisternis) verbonden aan de lichten vanwege het beperkte omgevingslicht. Het betreft bijvoorbeeld platteland en natuurgebieden. Nieuwe verlichting is een duidelijk waarneembare verandering ten opzichte van de huidige situatie in donkere gebieden.

Afwijken: dimmen en uitzetten

Er is dus een internationaal verdrag met richtlijnen en aanbevelingen. Op zich logisch om het dan ook toe te passen. Maar het zou mooi zijn om de ruimte die hierbinnen aanwezig is te pakken: pas het handvat dat wordt geboden toe, maar doe dat wel praktisch en maak gebruik van mogelijkheden om andere belangen dan de luchtvaart te ontzien.

Als je dan kijkt naar de wijze waarop andere landen hier mee om gaan, kom je een aantal interessante voorbeelden tegen. De richtlijnen en aanbevelingen uit Annex 14 worden hier toegepast, maar met een praktische invulling.

Duitsland
Duitsland heeft de richtlijnen en aanbevelingen uit Annex 14 in nationale regelgeving vastgelegd en/of aangevuld. In Nederland is dat tot op heden niet het geval, al wordt er gewerkt aan een beleidslijn. Duitsland heeft ook ICAO (‘het Verdrag van Chicago’) geratificeerd (1956). In de Allgemeine Verwaltungsvorschrift zur Kennzeichnung von Luftfahrthindernissen van het Bundesministerium für Verkehr, Bau und Stadtentwicklung is een specifieke regeling opgenomen om tegemoet te komen aan bezwaren van luchtvaartverlichting. Toegestaan wordt dat de intensiteit van de verlichting wordt aangepast aan de actuele zichtomstandigheden. Met andere woorden: de minimum afstand waarop de windturbines zichtbaar zijn is geborgd. Bij goed zicht (zoals heldere nachten) kan dus de intensiteit van de verlichting worden verminderd. Deze vermindering is fors, wat niet verwonderlijk is omdat de lichten bij goed zicht over grote afstanden zichtbaar zijn door de hoogte waarop ze zijn geplaatst.

De regeling is helder en kort:
• Is het zicht 5 kilometer, dan kan de maximale intensiteit terug worden gebracht tot 30%;
• Is het zicht 10 kilometer, dan tot 10% (’s nachts dus 200 candela).

Effectief, efficiënt en logisch op grond van de voor de luchtvaart vereiste tijdige zichtbaarheid van hoge obstakels, maar rekening houdende met de belangen van derden.

Canada
Een techniek waar ik al geruime tijd van hoor en die volgens mij heel logisch is, betreft de inzet van radar. Korte schets van het principe: luchtvaartverlichting heeft tot doel om vliegtuigen te attenderen op de aanwezigheid van een obstakel. Als er geen vliegtuig is, is er dus ook geen behoefte aan verlichting. Een radar bekijkt 24/7 de aanwezigheid èn de route van vliegtuigen. Heeft een vliegtuig een koers gericht op of nabij een windturbine (op een relevante hoogte; dus niet de burgerluchtvaart op 10 kilometer hoogte) gaat de verlichting tijdig aan. Radar is een bewezen techniek, die wordt op vliegvelden ook gebruikt, en er is geen afhankelijkheid van de aanwezigheid van extra technische aanpassing in het vliegtuig. Logisch en vooral effectief op plekken waar maar beperkt vliegtuigen vliegen. In heel Nederland is dat vooral ’s nachts het geval, behalve bij een paar grote luchthavens.

Bron: Vestas
Bron: Vestas

Uit een inventarisatie blijkt dat er diverse testen zijn gedaan die succesvol zijn afgerond. Maar mag het ook juridisch? In diverse landen wel. In Noorwegen, de Verenigde Staten en Canada wordt het toegestaan. Uit de Noorse documenten komt naar voren dat het systeem hiertoe door de luchtvaartautoriteiten is getest en akkoord bevonden.

Het mooiste voorbeeld is echter Canada (ICAO ondertekend 1944, geratificeerd 1946). Hier is namelijk in de regelgeving expliciet vastgelegd dat toepassing van deze technologie is toegestaan. In hoofdstuk 15 Aircraft Detection System van de Canadian Aviation Regulations Standard 621 Obstruction Marking and lighting is concreet aangegeven dat op basis van een analyse van positie, hoogte en koers, de verlichting wordt ingeschakeld als het vliegtuig op koers ligt met het obstakel. Het expliciete doel van deze mogelijkheid is om energieverbruik van de lichten en zichtbaarheid voor de omgeving te beperken.

‘Chapter 15 governs Aircraft Detection Systems (ADS) which are used to turn on obstruction lighting systems upon detection of an approaching aircraft. The system is radar based and can detect and analyze the flight path [position, altitude, heading and ground speed] of an aircraft so as to determine the possibility of potential collision with an object. If the flight path is such that the aircraft may impact the obstacle, then the obstacle lights are turned on and a later audio signal is transmitted. The purpose of the system is to enable the lighting to be off when not needed [absence of aircraft] and thereby to reduce energy consumption, and glare to the public.’

Toepassing in Nederland

Nederland heeft ICAO ondertekend (1944, ratificatie 1947). Zoals aangegeven, is er top op heden geen nadere regelgeving voor obstakelmarkering in Nederland. In Nederland vindt op dit moment een proef plaats met het verminderen van de intensiteit van luchtvaartverlichting en de beleving van deze aanpassing door omwonenden, recent zijn hiervan resultaten gepubliceerd. Conclusies zijn hier nog niet aan verbonden.

Op grond van voorgaande zou ik stellen dat toepassing van intensiteitsvermindering al reeds mogelijk is en ook toelaatbaar binnen de huidige nationale regelgeving. Dit zonder afbreuk te doen aan de verantwoordelijkheid die de Nederlandse Staat op zich heeft genomen bij het ondertekenen van ICAO. Technische optimalisaties die niet worden ontraden of verboden, zijn toepasbaar (bijvoorbeeld: markering is geadviseerd, niet markeren ligt dan dus niet voor de hand). Voor radardetectie verwacht ik dat de kosten hiervan relatief hoog zijn. Een proef is dan ook wellicht zinvol om kosten en baten te kunnen bepalen.

Het lijkt mij onwenselijk als dit tot een scala aan ‘trial and error’ toepassingen leidt. Dat is niet nodig en prima te voorkomen. Een beleidsbrief van het ministerie van I&M, de beleidsdirectie voor luchtvaartveiligheid, kan aanvullend een uniform kader scheppen. Vanuit een zorgplicht is afwijking dan alleen mogelijk met goede motivatie, bijvoorbeeld in overleg met de inspectie. In de beleidsbrief kan minimaal aansluiting worden gezocht bij de lessons learned in andere landen; we hoeven immers het wiel niet zelf te gaan uitvinden.

Het zou mooi zijn om een algemeen kader te hebben dat de algemene basis voor beperking biedt (bijvoorbeeld op een bepaalde afstand van vliegvelden) en dat hiervoor geen bijzondere locatiespecifieke studies zijn vereist die niet alleen kostbaar zijn maar vooral veel tijd en discussie kosten. Verdergaande maatregelen (zoals het volledig achterwege laten van verlichting of alleen toepassen van infraroodverlichting) vereisen vanzelfsprekend wel enige aeronautische studie voor de betreffende situatie.

Windpark Westermeerwind

Windpark Westermeerwind wordt het grootste nearshore windpark van Nederland.
De 48 windturbines van Siemens leveren straks voor ongeveer 160.000 Nederlandse huishoudens groene stroom.
Westermeerwind zal een behoorlijke bijdrage leveren aan de doelstellingen van het Energieakkoord.

Pondera Consult/Wind Minds is al vanaf 2003 betrokken bij het project en was verantwoordelijk voor de milieueffectrapportage, alle vereiste vergunningen en stakeholder management.

Bekijk het Siemens filmpje voor meer informatie met betrekking tot het Westermeerwind windpark.

Movie